RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46485
(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),
en
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Vc: Vreemdelingencirculaire 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. P.M. Langereis, waarneemster van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Eiser heeft afstand gedaan van zijn recht om op de zitting te worden gehoord.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. Eiser heeft grond a betwist en betoogt dat voor hem onduidelijk was dat hij Nederland moest verlaten. Eiser is ervan uitgegaan dat hij in Nederland mocht blijven, omdat hij na het uitzitten van zijn strafrechtelijke detentie niet aansluitend in vreemdelingenbewaring is gesteld en hem bij zijn vrijlating niet kenbaar is gemaakt dat hij zich alsnog moet melden of naar Polen moet vertrekken. Hiernaast betwist eiser grond r. Hij voert aan dat hij feitelijk wel een vaste woon- en verblijfplaats heeft bij zijn broer in [plaats] . Dit adres is door verweerder ook betrokken in het kader van de beoordeling van een lichter middel. Volgens eiser heeft verweerder daarom onvoldoende toegelicht waarom eiser geen vaste woon- en verblijfplaats zou hebben.
De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd over grond a er niet toe leidt dat deze grond hem niet mocht worden tegengeworpen. Het moet duidelijk zijn geweest voor eiser dat hij geen rechtmatig verblijf had in Nederland en dat hij diende terug te keren naar Polen zodra hij zijn gevangenisstraf had uitgezeten. De beschikking van 28 juli 2020 waarin is vastgesteld dat eisers rechtmatig verblijf is geëindigd, die aan eiser is uitgereikt op 20 oktober 2020 (en is bevestigd in het besluit op bezwaar van 18 januari 2021), heeft de grondslag gevormd voor de vele voorgaande inbewaringstellingen ten behoeve van de uitzettingen naar Polen. Eiser was er dus mee bekend dat hij geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. De rechtbank overweegt dat eiser moest begrijpen dat er, zoals verweerder heeft toegelicht op de zitting, geen materiële verandering in zijn situatie en verblijfsstatus had plaatsgevonden na de laatste uitzetting op 14 mei 2026 en door het ondergaan van de gevangenisstraf. Eiser moet ermee bekend zijn dat hij enkel opnieuw verblijfsrecht zou kunnen krijgen in Nederland als hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, bijvoorbeeld door elders een bestendig verblijf op te bouwen. Door na zijn invrijheidsstelling niet terug te keren naar Polen en geen melding te maken van zijn onrechtmatig verblijf, onttrok hij zich aan het toezicht. Verweerder heeft dan ook terecht grond a aan eiser tegengeworpen.
De grond a en de onbetwiste gronden b en s, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, dragen in onderlinge samenhang bezien al voldoende de maatregel van bewaring. De overige gronden hoeven daarom niet besproken te worden. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij heeft verklaard dat hij kon verblijven bij zijn broer. Ook heeft hij verklaard naar Duitsland te willen, als hij weg moet. Door bij zijn broer te verblijven zou eiser beschikbaar kunnen blijven ter voorbereiding van zijn vertrek en ook kunnen voldoen aan een meldplicht.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich, mede gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een onderduikrisico volgt. Dit onderduikrisico blijkt des te meer uit eisers uitzettingsgeschiedenis, nu eiser in de afgelopen jaren veelvuldig is uitgezet naar Polen en nadien doorgaans vrij snel terugreisde naar Nederland. Naar het oordeel van de rechtbank is een lichter middel dan inbewaringstelling dan ook onvoldoende om de uitzetting van eiser te waarborgen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat er persoonlijke en/of medische omstandigheden zijn die aan uitzetting in de weg staan. Zo is er geen familielid van eiser in Nederland dat van hem afhankelijk is en heeft eiser verklaard in het gehoor dat hij gezond is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Handelt verweerder voldoende voortvarend?
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering, omdat verweerder tijdens de strafrechtelijke detentie al voorbereidingshandelingen had moeten treffen voor eisers uitzetting. Eiser wijst in dit verband op (de rechtbank begrijpt) paragraaf A5/6.13 van de Vc. De inspanningsverplichting die gold tijdens eisers strafrechtelijke detentie had ertoe moeten leiden dat eiser aansluitend direct werd uitgezet om een maatregel te voorkomen. Ook gedurende de periode dat eiser nu in bewaring zit, zijn geen vertrekhandelingen verricht. Er dient een belangenafweging gemaakt te worden, die in het voordeel van eiser uit moet vallen. Dit wordt niet anders door eisers tijdelijke invrijheidstelling van enkele dagen tot zijn inbewaringstelling.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiser betoogt, heeft verweerder wel voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. Op 8 juli 2026 is een eerdere bewaringsmaatregel opgeheven omdat eiser nog een straf moest uitzitten van 28 dagen. Eiser is diezelfde dag strafrechtelijk gedetineerd. Verweerder heeft op de zitting verklaard dat hij op 30 juli 2026 een Terug- en Overnameverzoek (T&O-verzoek) heeft gestuurd naar de Poolse autoriteiten, dat op 3 augustus 2026 een akkoord hierop is ontvangen, dat diezelfde dag een vlucht is aangevraagd en op 4 augustus 2026 vluchtgegevens zijn ontvangen voor een geplande uitzetting. Door capaciteitsgebrek heeft nadat eiser op 5 augustus 2026 strafrechtelijk in vrijheid is gesteld echter geen aansluitende inbewaringstelling kunnen plaatsvinden en daarom is de vlucht geannuleerd, aldus verweerder. Daargelaten de vraag of het niet voldoen aan een inspanningsverplichting tijdens een strafrechtelijke detentie nog gevolgen kan hebben voor een bewaringsmaatregel die niet aansluitend aan die strafrechtelijke detentie is opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich gelet op het hierboven geschetste tijdpad voldoende heeft ingespannen tijdens eisers strafrechtelijke detentie. Alle inspanningen die nodig waren om eiser uit te kunnen zetten waren immers verricht bij het einde van eisers strafrechtelijke detentie. Dat door capaciteitsgebrek geen aansluitende inbewaringstelling heeft plaatsgevonden, betekent niet dat verweerder eiser op 13 augustus 2026 niet meer in bewaring mocht stellen. Ook gedurende de periode van deze bewaring heeft verweerder voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting. Uit informatie van verweerder ter zitting blijkt namelijk dat nog deze week een vertrekgesprek met eiser wordt ingepland, dat navraag is gedaan over het T&O-akkoord en dat op de dag van de zitting bericht is ontvangen dat het eerdere akkoord nog geldig is, zodat een nieuwe vluchtaanvraag kan worden ingediend. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.