RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46809
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 15 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw J. Allachi als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMbV) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMbV. In de AMbV staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMbV indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel is gegrond op artikel 59a van de Vw aangezien er een overdrachtsbesluit is genomen ten aanzien van eiser op 5 juli 2021. Dit is het eerste overdrachtsbesluit. Daarnaast is op pagina 2 van het besluit uiteengezet welke overdrachten er hebben plaatsgevonden op grond van de Dublinverordening (thans AMbV) en welke hits eiser heeft in het Eurodac systeem. Verder is vermeld dat de maatregel wordt gevorderd door het belang van de openbare orde omdat er een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, inhoudelijk niet betwist. De gronden a, c, r en s, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een onderduikrisico bestaat.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat eiser de dag na oplegging van de maatregel van bewaring asiel heeft aangevraagd. Mede gelet op eisers gezondheidssituatie zou een lichter middel gepaster zijn geweest, zodat eiser gebruik zou kunnen maken van de medische faciliteiten die beschikbaar zijn bij een locatie van het COA (Centraal Orgaan opvang Asielzoekers).
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Verweerder stelt zich, mede gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is onder meer dat uit de gronden voor de maatregel van bewaring een onderduikrisico volgt. Verweerder overweegt in dit verband ook terecht dat eiser al meerdere malen is uitgezet. Uit de uiteenzetting op pagina 2 van het besluit blijkt dat eiser al tweemaal is overgedragen aan Duitsland en weer naar Nederland is teruggekeerd. Bovendien volgt dit onderduikrisico uit de omstandigheid dat eiser asielaanvragen in Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie heeft ingediend, maar de uitkomst daarvan niet heeft afgewacht en met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder concludeert terecht dat toepassing van een lichter middel onvoldoende waarborg biedt dat dit daadwerkelijk tot eisers uitzetting zou leiden, gelet op het onderduikrisico. Hiernaast ziet de rechtbank geen persoonlijke en/of medische omstandigheden die aan uitzetting in de weg staan. Eiser heeft namelijk geen familie in Nederland die van hem afhankelijk is. De beroepsgrond dat een lichter middel passender zou zijn dan inbewaringstelling omdat eiser in een COA-opvanglocatie gebruik zou kunnen maken van medische faciliteiten, volgt de rechtbank niet. Ook in het detentiecentrum voor vreemdelingenbewaring zijn medische voorzieningen. Eiser heeft verklaard dat hij verslaafd is aan cocaïne, heroïne en alcohol. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling is hij onwel geworden, vermoedelijk door afkickverschijnselen. Niet is gesteld of gebleken dat de medische faciliteiten in vreemdelingenbewaring ontoereikend zijn voor eisers gezondheidssituatie. De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser tijdens de voortzetting van het gehoor op 16 augustus 2026 heeft verklaard dat hij in verband met zijn verslaving in detentie methadon ontvangt. Dat eiser enkele dagen voor de zitting onwel is geworden, daardoor is gevallen en nu een geblesseerde schouder heeft, verandert het oordeel van de rechtbank niet. Niet gesteld of gebleken is dat eiser hiervoor in het detentiecentrum onvoldoende behandeling heeft (kunnen) ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Claimverzoek Italië
7. Eiser voert aan dat verweerder een claimverzoek naar de Italiaanse autoriteiten heeft verstuurd, maar dat hij voorheen naar Duitsland werd uitgezet. Eiser begrijpt niet waarom verweerder er niet voor heeft gekozen om een claimverzoek bij de Duitse autoriteiten in te dienen.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat gelet op de laatste Eurodac-treffer (5 augustus 2026, Italië) op 17 augustus 2026 een claimverzoek is verstuurd naar de Italiaanse autoriteiten. Indien verweerder een claimverzoek naar Duitsland zou hebben verzonden, zouden de Duitse autoriteiten dit naar verwachting afwijzen, gezien deze laatste registratie in Italië. Wanneer de Italiaanse autoriteiten niet akkoord gaan, zal verweerder eiser alsnog claimen bij Duitsland. De rechtbank is van oordeel dat het aan verweerder is te bepalen naar welke lidstaat een claimverzoek wordt gestuurd. Wanneer vervolgens een overdrachtsbesluit wordt genomen, kan eiser daartegen opkomen. Voor zover eiser met zijn opmerking wil betogen dat de inbewaringstelling onrechtmatig is omdat het claimverzoek bij een andere lidstaat had moeten worden ingediend, volgt de rechtbank dit niet. Voor inbewaringstelling op grond van artikel 59a van de Vw is voldoende dat er een concreet aanknopingspunt is dat de AMbV van toepassing is. Dat eiser onder de reikwijdte van de AMbV valt, is niet in geschil. Niet is vereist dat er al een (rechtsgeldig) overdrachtsbesluit is genomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2813). Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.