ECLI:NL:RBDHA:2026:25342

ECLI:NL:RBDHA:2026:25342

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.47529
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

vreemdelingenbewaring, rechtmatigheid van de ophouding, belangenafweging, schadevergoeding, proceskostenvergoeding, gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47529

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Vc: Vreemdelingencirculaire 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 18 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer M. Nyembo als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De verlengde ophouding

Rechtmatigheid van de ophouding

4. Eiser stelt allereerst dat sprake is van een gebrek in het voortraject, omdat de verlengde ophouding onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Er wordt betoogd dat niet helder uit het proces-verbaal van het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling volgt op welk(e) moment(en) het gehoor heeft plaatsgevonden tijdens de periode van (verlengde) ophouding. Bovendien betwist eiser de rechtmatigheid van de grondslag voor de verlenging van de ophouding.

Verweerder stelt dat de verlengde ophouding rechtmatig heeft plaatsgevonden, aangezien er nader onderzoek moest worden gedaan naar het non-refoulementrisico in eisers geval. Dit kan worden beschouwd als nader onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van eiser. Eiser zou niet in bewaring worden gesteld in het geval van schending van het beginsel van non-refoulement. Verder is door verweerder toegelicht dat de Koninklijke Marechaussee op 17 augustus 2026 contact heeft opgenomen met de IND inzake de beoordeling van het beginsel van non-refoulement. De IND heeft naar aanleiding van dit contact enkele vragen opgesteld die de Koninklijke Marechaussee aan eiser moest stellen. Nadien is de volgende dag, 18 augustus 2026, het gehoor afgerond en is de maatregel van bewaring opgelegd.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 50, vierde lid, van de Vw volgt dat – kort gezegd – de ophouding kan worden verlengd indien nog grond bestaat voor het vermoeden dat de opgehouden persoon geen rechtmatig verblijf heeft. In paragraaf A2/6.1 van de Vc is opgenomen dat de verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, eerste zin, Vw mogelijk is als het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van de op gehouden persoon nog niet is afgerond. Verder volgt uit voornoemde paragraaf van de Vc dat op het moment van de verlenging van de termijn van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, Vw duidelijk moet zijn welk onderzoek maar het rechtmatig verblijf nog moet plaatsvinden en waarom dit onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat in de beschikking verlenging ophouding (model M105E) uitsluitend staat vermeld dat nog nader onderzoek nodig is naar: “anders, vreemdeling geeft in zijn gehoor aan te vrezen voor zijn leven bij terugkeer. Het gehoor zal gedeeld worden met de IND in verband met een refoulementsbeoordeling. Dit in voorbereiding op zijn bewaring traject”.

De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke bevoegdheid tot verlenging van de ophouding, als bedoeld in artikel 50, vierde lid, van de Vw, hiermee is aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is toegestaan. Immers, dit ziet veeleer op het (uitgebreider) kunnen horen van de vreemdeling. Verweerder heeft dit ter zitting in zoverre ook erkend door aan te geven dat de Koninklijke Marechaussee niet in staat is om een deugdelijke (refoulements) beoordeling te maken binnen de reguliere vastgestelde wettelijke termijn. Daarom diende ook ruggespraak plaats te vinden met de IND, in welk kader verlenging van de ophouding aan de orde was. Zoals echter volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH4680, ro 2.3.1.) mag een ophouding echter niet worden verlengd om daarmee te bereiken dat de vreemdeling voor de inbewaringstelling wordt gehoord. Dat geldt in dit geval naar het oordeel van de rechtbank evenzo. De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat de uitkomst van het gehoor aan de verblijfsstatus van eiser zou kunnen raken en de verlengde ophouding daarom rechtmatig heeft plaatsgevonden. Dit zou anders immers altijd gelden voor wat betreft gehoren voorafgaand aan een inbewaringstelling.

Belangenafweging

De rechtbank constateert, met het oog op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.4., dat er sprake is van een gebrek in het voortraject vanwege een onrechtmatige verlenging van de ophouding. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling maakt een dergelijk gebrek dat kleeft aan een vrijheidsontneming de daarop aansluitende bewaring slechts onrechtmatig, indien de daarmee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Deze belangenafweging valt naar het oordeel van de rechtbank uit in het voordeel van eiser in verband met de navolgende omstandigheden.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat sprake is van een ernstig gebrek, nu een bevoegdheid is aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is toegestaan. Daarnaast merkt de rechtbank overigens op dat, zoals eiser ook heeft betoogd, uit het dossier niet blijkt wat het verloop is geweest ten aanzien van het gehoor of de gehoren die (in het kader van de verlenging van de ophouding) hebben plaatsgevonden. Met eiser acht de rechtbank dit onzorgvuldig, omdat dit de gang van zaken niet duidelijk, toetsbaar en inzichtelijk maakt en eiser daarmee, naar de rechtbank begrijpt, ook in zijn belangen is geschaad. Hierbij komt dat eiser geruime tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest zonder wettelijke grondslag. Hij had immers uiterlijk 17 augustus 2026 om 15.00 uur in bewaring moeten worden gesteld, waar dat nu pas 18 augustus 2026 om 16.15 uur is geweest. De rechtbank kent significant gewicht toe aan de duur (25 uur en 15 minuten) van deze onrechtmatige vrijheidsbeneming. Voorts heeft eiser duidelijk aangevoerd dat hij in zijn belangen wordt geraakt bij inbewaringstelling, nu hij al jarenlang in Frankrijk zou wonen, aldaar samen met zijn partner een huis huurt, een kind heeft en hij naar gesteld financieel zorg draagt voor hen. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen belangen naar voren toe heeft gebracht waarom verweerder er desalniettemin (een) zwaarwegend(er) belang bij heeft dat eiser in bewaring wordt gehouden. Gelet op het voorgaande, oordeelt de rechtbank dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uitvalt. Dit betekent dat de rechtbank tot de slotsom komt dat het beroep reeds hierom gegrond is en de bewaring moet worden opgeheven. De overige gronden van beroep laat de rechtbank daarom verder buiten bespreking.

Schadevergoeding

De rechtbank oordeelt dat, conform artikel 106, eerste lid, van de Vw, er een schadevergoeding zal volgen voor de periode die eiser in bewaring heeft gezeten. Het staat vast dat eiser op 19 augustus 2026 uit de politiecel is geplaatst en naar het detentiecentrum is overgebracht. Er volgt dan ook schadevergoeding voor eisers onrechtmatige inbewaringstelling in de politiecel op 18 en 19 augustus 2026 en voor de onrechtmatige inbewaringstelling in het detentiecentrum sindsdien tot en met de opheffing.

Er zal geen schadevergoeding plaatsvinden voor de onrechtmatige verlengde ophouding op 17 augustus 2026, aangezien artikel 106 Vw, eerste lid, van de Vw niet voorziet in schadevergoeding voor onrechtmatige vrijheidsbeneming in het voortraject. Bij onrechtmatige vrijheidsbeneming in het voortraject moet de rechtbank worden verzocht om schadevergoeding. Dat is hier niet gebeurd.

Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten, op de wijze zoals hieronder onder 5.2 vermeld.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 6 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.040,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.040,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. S.A. Vroegop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand