RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47856
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 23 juni 2026 aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft op 20 augustus 2026 beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Op 24 augustus 2026 is de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven, omdat eiser die dag is uitgezet naar Nicaragua.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 25 augustus 2026 gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan op 24 augustus 2026 onrechtmatig is geweest.
2. De rechtbank stelt verder voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 juli 2026 (in de zaak NL26.35034) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 30 juni 2026) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 30 juni 2026 rechtmatig was.
3. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt gezien het voorgaande dus van 30 juni 2026 tot 24 augustus 2026 (de dag van opheffing van de maatregel).
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank stelt vast dat eiser, ondanks de hem daartoe geboden gelegenheid, geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de voortduring van de maatregel van bewaring. De toetsing door de rechtbank is daarom beperkt tot een ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring, zoals die volgt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar). Met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.