ECLI:NL:RBDHA:2026:25345

ECLI:NL:RBDHA:2026:25345

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.20007
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Nigeria, LHBTI. De minister heeft de homoseksuele gerichtheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.20007

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

(gemachtigde: mr. H. van Dooren).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 april 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Najjar als tolk en de gemachtigde van de minister.

6. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
Toetsingskader geloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid
Het oordeel van de rechtbank

Het asielrelaas

7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is. Zijn eerste homoseksuele ervaring was in 2000 op een kostschool. Sinds 2003 beschouwt eiser zichzelf als homoseksueel. Eisers vader keurde dit af. In 2013 ontstonden problemen tussen eiser en zijn vader omdat zijn vader een kerk wilde stichten in het dorp van eiser. Eisers homoseksualiteit zou de goede reputatie in de weg staan. Eiser werd sindsdien geïntimideerd door zijn vader via een nachtwacht. In 2015 heeft eiser het land verlaten.

8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1) identiteit, nationaliteit en herkomst;

2) problemen wegens homoseksuele gerichtheid.

9. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig omdat eiser dit asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten en omdat de verklaringen van eiser in het kader van dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.1 In het kader van de gestelde homoseksuele gerichtheid, werpt de minister tegen dat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft in hoe en wanneer hij merkte dat hij enkel op mannen viel. Ook werpt de minister tegen dat eiser homoseksualiteit als keuze en gemak beschouwt, zonder inzicht te verschaffen. Verder vindt de minister dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij over zichzelf en zijn geaardheid dacht na zijn ontdekking. Ten slotte overweegt de minister dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon1] en dat eiser en [persoon2] (volgens eiser zijn huidige partner) tegenstrijdig hebben verklaard over het begin van hun relatie. In het kader van de gestelde problemen wegens de homoseksuele gerichtheid, werpt de minister tegen dat eisers verklaringen over de naam van zijn vader niet overeenkomen met de door eiser ingediende foto’s en ook niet met zijn eigen naam. Verder werpt de minister eiser tegen dat hij jarenlang geen problemen heeft ondervonden. Ten slotte overweegt de minister dat aan de door eiser ingediende documenten geen waarde wordt gehecht zoals eiser dat graag wenst.

10. De minister heeft het geloofwaardige asielmotief beoordeeld op zwaarwegendheid. Dit asielmotief raakt volgens de minister niet aan één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verder overweegt de minister dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade, waardoor eiser evenmin in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De minister wijst de asielaanvraag van eiser af als ongegrond.

1. Artikel 31, zesde lid, voorwaarde c, Vw.

De beroepsgronden

11. Eiser voert aan dat de minister, bij het bepalen van het referentiekader van eiser, niet alle relevante aspecten op de juiste wijze heeft betrokken. De minister heeft ten onrechte niet betrokken dat eiser slechts twee jaar op de middelbare school heeft gezeten en verder in de landbouw heeft gewerkt. Eiser wijst er op dat homoseksualiteit in Nigeria strafbaar is, waardoor eiser niet gewend is om hier openlijk over te verklaren. De minister heeft volgens eiser verder ten onrechte tegengeworpen dat hij zelf heeft verklaard dat hij ervaring heeft met het uiten van zijn gevoelens. Met die verklaring doelde eiser op het delen van zijn gevoelens met gelijkgestemden. Eiser heeft tenslotte ook verklaard dat hij hier over het algemeen voorzichtig mee is, zeker als hij niet weet wie hij tegenover zich heeft.2

12. Ook voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft consistent verklaard; er zijn geen tegenstrijdigheden tegengeworpen. Bovendien heeft eiser op alle vragen duidelijk kunnen antwoorden. Ook meent eiser dat hij wel degelijk inzicht heeft gegeven in hoe en wanneer hij merkte dat hij op mannen valt. In dit kader heeft eiser consistent verklaard dat het begon met seksueel misbruik door zijn schoolvader, maar dat hij daarna ook gemeenschap had met andere jongens en daar genot van ervaarde. Bovendien heeft eiser wel degelijk gevoelens en emoties gedeeld, zowel ten aanzien van de ontdekking dat hij homoseksueel was als over zijn relaties. Volgens eiser heeft de minister miskend dat zijn asielrelaas een persoonlijk en authentiek verhaal is, in lijn met Werkinstructie 2019/17.

13. Verder meent eiser dat hij voldoende documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van het tweede asielmotief. De minister heeft deze documenten volgens eiser onvoldoende, althans niet in het juiste kader, betrokken. Door de door eiser overgelegde documenten opzij te schuiven omdat het geen objectieve documenten zijn, heeft de minister ten onrechte nagelaten een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken en daarmee in strijd gehandeld met het Unierecht.

14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling leent een seksuele gerichtheid als asielmotief zich naar zijn aard in beperkte mate voor bewijsvoering: het gaat immers om wat iemand innerlijk voelt, denkt of gelooft. Meer nog dan bij andere asielmotieven, zijn de eigen verklaringen van een vreemdeling die een seksuele gerichtheid als asielmotief naar voren brengt dan ook van wezenlijk belang. Het is daarom aan de vreemdeling om vooral aan de hand van zijn verklaringen zijn gestelde seksuele gerichtheid aannemelijk te maken.3 Hij is immers als geen ander in staat inzicht te bieden in wat hij innerlijk denkt of voelt. De minister voert een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit van de gestelde seksuele geaardheid, waarbij hij de verklaringen van een vreemdeling over de verschillende in Werkinstructie 2019/17 genoemde thema’s uitdrukkelijk in hun onderlinge samenhang en in het licht van de overige verklaringen en het overgelegd bewijsmateriaal beziet. Het is daarbij aan de minister om in het besluit inzichtelijk te maken hoe hij de afgelegde

2 Rapport nader gehoor, blz. 6.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2884) en van 4 augustus 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1754).

verklaringen en overgelegde stukken in het kader van de verschillende thema’s waardeert en onderling weegt.

15. De thema’s die de minister ingevolge Werkinstructie 2019/17 betrekt bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een seksuele gerichtheid zijn:

1) privéleven en omgeving;

2) huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti groepen;

3) contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;

4) discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

16. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met dat wat bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’s) in het land van herkomst. Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke, authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn ervaringen. Met name als een vreemdeling afkomstig is uit een land waar lhbti zijn maatschappelijk onacceptabel is of strafbaar is, is van belang of en hoe de vreemdeling zich daaraan heeft aangepast en hoe hij dit heeft beleefd. Er hoeft geen ‘worsteling’ te hebben plaatsgevonden voordat de vreemdeling zijn lbhti-gerichtheid heeft geaccepteerd, maar wel een denkproces waarin de vreemdeling zich onder andere voor de vraag gesteld ziet wat het betekent om anders te zijn en op welke wijze hij daar invulling aan wil en kan geven. Er wordt gewicht gegeven aan het proces van ontdekking van de gerichtheid en de wijze waarop de vreemdeling heeft verklaard daarmee om te zijn gegaan. Alles wordt in onderlinge samenhang bekeken. Er moet rekening worden gehouden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur en afkomst.

17. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat, nu de asielaanvraag en het bestreden besluit dateren van vóór 12 juni 2026, het recht van toepassing is zoals dat gold voor de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact per 12 juni 2026.

Geloofwaardigheid homoseksuele gerichtheid

18. De rechtbank oordeelt als volgt. Eiser heeft in het nader gehoor consistent en uitgebreid verklaard over zijn eerste homoseksuele ervaring en hoe dat zich uiteindelijk ontwikkelde in het besef dat hij alleen op mannen valt. Eiser heeft, kort samengevat, verklaard dat hij als vijftienjarige jongen op een kostschool zat, waar volwassen schoolvaders enkele jongere scholieren onder hun hoede namen. Eiser werd door zijn schoolvader gedwongen tot het verrichten van seksuele handelingen. Eerst hield eiser de seksuele avances van zijn schoolvader af, maar uiteindelijk stemde hij in. De schoolvader vertelde aan eiser dat hij ook seksueel actief was met andere schoolzoons en dat het normaal was om met mannen te vrijen. De schoolzoons werden aangemoedigd om ook met elkaar seks te hebben. Toen eiser seks had met een andere schoolzoon, [persoon3] , begon hij voor het eerst genot te ervaren. Eiser zag [persoon3] als zijn partner. Vanaf ongeveer het jaar 2003, begon eiser het gevoel te ontwikkelen dat hij enkel op mannen viel.

19. Over zijn gevoelens gedurende dit proces en na zijn ontdekking, heeft eiser het volgende verklaard. Eiser had geen romantische gevoelens voor zijn schoolvader. Hij had seks met zijn schoolvader omdat de schoolvader anders levensmiddelen voor eiser achterhield. Ook deed hij het uit angst om buiten de groep te vallen. Na het hebben van seks met zijn schoolvader, had eiser het gevoel dat hij gezondigd had. Hij had last van zijn geweten en dacht aanvankelijk dat het een kwaadaardige daad was. Echter, toen eiser seksueel actief werd met [persoon3] en daar genot van ervaarde, begon hij gevoelens te ontwikkelen voor [persoon3] . Hij zag [persoon3] als zijn partner en beste vriend. Als eiser niet samen was met [persoon3] , dan was hij verdrietig en had hij het gevoel alsof er iets miste in zijn leven. Rond zijn ontdekking in 2003 vond eiser het fijn om zich aangetrokken te voelen tot mannen. Eiser zag het niet langer als iets slechts; het was normaal geworden. Bovendien merkte eiser dat hij het veel lastiger vond om vrouwen te benaderen. In de zienswijze voegde eiser hieraan toe dat dit met mannen juist allemaal vanzelf ging.

20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in zoverre een persoonlijk en authentiek verhaal verteld ten aanzien van zijn ontdekking over zijn seksuele geaardheid en zijn gevoelens en gedachten daarbij. De rechtbank kan de tegenwerpingen van de minister, dat eiser onvoldoende inzicht heeft verschaft over hoe en wanneer hij merkte dat hij enkel op mannen valt en over hoe hij over zichzelf en zijn geaardheid dacht, daarom niet plaatsen in het hierboven uiteengezette toetsingskader.4 De minister heeft bovendien geen tegenstrijdigheden, ongerijmdheden of inconsistenties tegengeworpen. De rechtbank volgt deze tegenwerpingen niet.

21. Ten aanzien van de tegenwerping van de minister, dat eiser homoseksualiteit als een keuze en gemak beschouwt zonder daarin inzicht te verschaffen, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft verklaard dat homoseksualiteit veel voorkwam op zijn kostschool. De kostschool was om die reden berucht en moest uiteindelijk sluiten. Alle jongens die naar die school gingen, kregen vervolgens vanuit de dorpsgemeenschap het stigma dat ze homoseksueel waren. Daar kwam bij dat eiser op school betrapt was samen met [persoon3] en dat de ouders van eiser hierover ingelicht waren. Over het leven als homoseksueel in Nigeria heeft eiser verder verklaard dat het hem een slecht gevoel gaf dat hij hier niet openlijk over kon zijn. Hij voelde zich afgewezen door de gemeenschap. Als eiser heteroseksuelen met elkaar zag praten, werd hij paranoia en dacht hij dat ze over hem praatten. Hij voelde zich niet begrepen door heteroseksuelen en was altijd op zoek naar gelijkgestemden. Verder heeft eiser verklaard dat hij het uiteindelijk fijn vond om zich aangetrokken te voelen tot jongens omdat hij zag hoe er binnen de groep met een homoseksuele gerichtheid een sfeer van liefde, ondersteuning en samenwerking heerste. Juist vanwege het taboe op homoseksualiteit in Nigeria, vond eiser erkenning binnen deze groep. Eiser zag hen als zijn broers; zijn familie. Eiser verdedigde de groep en zag dat deze groep bij wijze van spreken voor elkaar zou sterven. Het is tegen deze achtergrond dat eiser verklaarde: “Ik had geen slechte gevoelens over mijn seksuele gerichtheid. Ik vond het normaal. Voor mij was het een levensstijlkeuze”.5 In de zienswijze heeft eiser toegelicht dat het deze manier van liefde en leven was, wat voor hem een keuze was. Op de zitting voegde eiser hier aan toe dat het woord “levensstijlkeuze” ziet op zijn keuze om, ondanks de moeilijkheden in de gemeenschap, te leven zoals hij is. De rechtbank kan deze uitleg, gelet op de hierboven geschetste context, volgen.

4 Zie overwegingen 14 t/m 16.

5 Rapport nader gehoor, blz. 9.

22. Voor zover de minister tegenwerpt dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn overwegingen, afwegingen en reflectie gelet op het feit dat hij een “keuze” maakte, volgt de rechtbank dit niet. Uit bovenstaande verklaringen volgt naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk dat eiser zich bewust was van de nadelen, namelijk het stigma van homoseksualiteit binnen een gemeenschap waar dit niet geaccepteerd en zelfs strafbaar is. Toch koos eiser ervoor zich te omringen met mensen uit de homoseksuele gemeenschap en om, zij het in het geheim, homoseksuele relaties aan te gaan. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzicht gegeven in zijn redenen hiervoor, namelijk de acceptatie, erkenning en liefde binnen deze gemeenschap, naast zijn aantrekkingskracht tot mannen. Daarbij merkt de rechtbank op dat deze afweging van eiser past in het geheel van zijn verklaringen. Uit het hele nader gehoor komt namelijk naar voren dat de zoektocht naar gelijkgestemden en het gevoel van acceptatie binnen de homoseksuele gemeenschap belangrijke thema’s zijn in het leven van eiser. Deze rode draad in de verklaringen van eiser draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de authenticiteit van zijn verhaal.

23. Ten aanzien van de tegenwerping van de minister dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon1] , oordeelt de rechtbank als volgt. Voor zover de minister tegenwerpt dat eiser oppervlakkig heeft verklaard omdat hij zowel [persoon1] als zijn vrienden “gelijkgestemden” noemt en daarmee geen inzicht geeft in zijn specifieke gevoelens voor [persoon1] , volgt de rechtbank dit niet. Eiser heeft verklaard dat hij exclusief wilde zijn met [persoon1] omdat ze gelijkgestemden waren en omdat [persoon1] voor hem een punt van herkenning en steun was. Dit past naar het oordeel van de rechtbank juist in het geheel van eisers verklaringen. Zoals hierboven onder 22 overwogen, zijn erkenning en acceptatie belangrijke waarden voor eiser. Dat eiser juist deze waarden belangrijk vond in zijn relatie met [persoon1] , past dus in het authentieke en persoonlijke verhaal van eiser. Bovendien heeft eiser verder uitgeweid over zijn relatie met [persoon1] en zijn gevoelens daarbij. Eiser heeft verklaard over hun eerste ontmoeting, over wat hem aantrok aan [persoon1] en wat ze samen deden als ze elkaar zagen. Eiser heeft verklaard dat hij zich verdrietig en verveeld voelde als hij niet met [persoon1] was en dat hij zich blij en opgetogen voelde als hij hem weer zag. Eiser voelde zich vrij bij [persoon1] . Ten slotte heeft eiser verklaard dat hij de twee dagen voorafgaand aan zijn vertrek uit Nigeria, met [persoon1] doorbracht. Eiser voelde zich fijn die twee dagen, maar het ging gepaard met pijn vanwege het afscheid. De rechtbank kan het standpunt van de minister, dat deze gevoelens niet verder gaan dan vriendschap, niet volgen. Immers, de omstandigheid dat ook in geval van een vriendschap deze gevoelens van verdriet kunnen plaatsvinden, sluit niet uit dat deze gevoelens ook in een romantische relatie kunnen voorkomen. Die omstandigheid maakt op zichzelf dan ook niet dat daarmee de relatie met [persoon1] alleen als vriendschappelijk kan worden aangemerkt. Eiser heeft – in het verlengde van alle andere verklaringen over [persoon1] – desgevraagd over dit onderscheid opgemerkt dat het gevoel dat hij voor [persoon1] heeft anders is en “uiteraard de seks die ik met [persoon1] heb, die ik niet met andere goede vrienden heb”.6 Gelet hierop, verschaffen bovenstaande verklaringen naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk inzicht in eisers gevoelens voor [persoon1] .

24. De rechtbank constateert ten slotte dat de minister eiser heeft tegengeworpen dat eiser en zijn gestelde huidige partner [persoon2] tegenstrijdig hebben verklaard over de begindatum van hun relatie en dat de overgelegde chatgesprekken, foto’s en een geschreven

6 Rapport nader gehoor, blz 14.

verklaring van [persoon2] geen objectieve documenten zijn. Daargelaten of dit oordeel van de minister over de documenten in strijd komt met Unierecht, zoals eiser stelt, is de tegenwerping van de minister over de gestelde huidige relatie naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de minister in het gehoor niet heeft doorgevraagd over de relatie met [persoon2] en de gevoelens die zij voor elkaar hebben.

Tussenconclusie

25. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de homoseksuele geaardheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.7 Het beroep is reeds hierom gegrond. De minister zal opnieuw de geloofwaardigheid van de problemen van eiser vanwege zijn (geloofwaardige) homoseksuele gerichtheid moeten beoordelen. Daarbij is het navolgende van belang.

Geloofwaardigheid problemen vanwege homoseksuele gerichtheid

26. De rechtbank stelt vast dat eiser foto’s van een man en (kopieën en foto’s van) posters van religieuze bijeenkomsten met [persoon4] heeft overgelegd. Eiser stelt dat dit zijn vader is. Deze foto’s onderbouwen volgens eiser zijn verklaringen dat zijn vader een predikant is en in 2013 een kerk wilde stichten in het dorp van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat betwijfeld kan worden of de man op de foto’s de vader van eiser is. De achternamen van eiser en zijn gestelde vader komen immers niet overeen. Bovendien heeft eiser op de zitting verklaard dat de foto op de poster voor de “Garden of Life Assembly” dit jaar gemaakt is. Ook heeft eiser op de zitting verklaard dat zijn vader ongeveer 69 jaar oud is. De rechtbank overweegt dat de man op de poster voor de “Garden of Life Assemby” er evident jonger uitziet dan ongeveer 69 jaar. Het is daarom niet aannemelijk dat de man op de poster de vader van eiser is.

27. Maar dit is op zichzelf onvoldoende voor het standpunt van de minister dat de door eiser gestelde problemen in het geheel ongeloofwaardig zijn. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister zijn tegenwerping, dat eiser jarenlang geen echte problemen heeft ondervonden, niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Ten eerste miskent de minister hiermee dat eiser niet in hetzelfde dorp als zijn vader woonde. Eiser heeft verklaard dat zijn problemen begonnen in 2013 met de komst van zijn vader naar zijn dorp. De reden dat hij vóór 2013 geen ernstige problemen van de kant van zijn vader heeft ondervonden, is omdat hij en zijn moeder zich schuil hielden in hun eigen dorp. Ze zochten eisers vader bewust niet op in [plaats] .8 Ten tweede is van belang dat eiser wel degelijk heeft verklaard over echte problemen. Zo heeft hij verklaard dat hij werd beledigd en geslagen door leden van de kerk9 en dat hij is mishandeld door mensen voor wie hij werk verrichtte.10 Hierop is door de minister niet doorgevraagd. Daarnaast heeft eiser consistent verklaard over intimidatie en

7 Zie het arrest Quotal van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2026:447.

8 Rapport nader gehoor, blz. 5 en 11.

9 Rapport nader gehoor, blz. 5.

10 Rapport nader gehoor, blz. 4.

mishandeling door de nachtwacht.11 Eiser heeft zelfs verklaard over lijfstraffen waar hij nog littekens van op zijn rug heeft.12 Ook op dit laatste punt heeft de minister niet doorgevraagd.

28. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat zijn standpunt dat de gestelde problemen ongeloofwaardig zijn, voornamelijk is gebaseerd op de ongeloofwaardig geachte seksuele gerichtheid. Nu de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld dat de minister de seksuele gerichtheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, is die basis voor het standpunt van de minister over de gestelde problemen komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

29. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Nu de rechtbank in deze uitspraak heeft geoordeeld dat de minister de seksuele gerichtheid van eiser ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en gelet op overweging 26 en 27, moet de minister de geloofwaardigheid van de gestelde problemen opnieuw beoordelen. Ook de zwaarwegendheid van de geloofwaardig geachte asielmotieven zal de minister opnieuw moeten beoordelen.

30. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

31. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

11 Rapport nader gehoor, blz. 23-27.

12 Rapport nader gehoor, blz. 23.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 26 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. P.J. Blok

Griffier

  • mr. I.S. Bunnik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand