RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.17834
(gemachtigde: mr. G.H.P. Buren),
en
(gemachtigde: mr. N. Peters).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van artikelen 18 en 19 van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Terugtrekkingsakkoord).
Bij besluit van 27 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op 24 december 2025 een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 6 januari 2026 een aanvullende reactie ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Dogan als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Inleiding
Eiser, oorspronkelijk afkomstig uit Irak, is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Britse nationaliteit. Eiser heeft van 24 augustus 2002 tot 15 oktober 2020 in het Verenigd Koninkrijk verbleven. Sinds 15 oktober 2020 verblijft hij in Nederland. Hij verblijft hier samen met zijn echtgenote en twee minderjarige kinderen, die beschikken over een door verweerder afgegeven asielvergunning.
Op 23 maart 2021 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord. Bij besluit van 7 september 2021 heeft verweerder bepaald dat het gevraagde verblijfsdocument aan eiser wordt afgegeven.
Op 20 september 2022 heeft verweerder van de gemeente Vlaardingen een melding ontvangen dat eiser, samen met zijn echtgenote, met ingang van 26 juli 2022 een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm op grond van de Participatiewet ontvangt. Op 30 augustus 2023 heeft verweerder een voornemen uitgebracht waarin hij aan eiser heeft laten weten dat nader onderzoek zal worden gedaan naar de rechtmatigheid van zijn verblijf. Op 26 september 2023 heeft eiser een zienswijze ingediend. Bij het primaire besluit van 8 november 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad en meegedeeld dat het aan eiser afgegeven verblijfsdocument wordt ingenomen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Het bestreden besluit
2. Bij het bestreden besluit is verweerder gebleven bij zijn vaststelling dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van artikelen 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat eiser, die weliswaar vóór het einde van de overgangsperiode (op grond van bijzondere omstandigheden) enige vorm van verblijfsrecht heeft gehad, op de peildatum van 31 december 2020 geen rechtmatig verblijf had overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG (de Verblijfsrichtlijn) en dat verblijf nadien dus ook niet heeft voorgezet. Eiser kon volgens verweerder op de peildatum van 31 december 2020 namelijk niet worden aangemerkt als ‘economisch actieve vreemdeling’ en ook niet als ‘economisch niet-actieve vreemdeling’. Op dat moment werkte eiser immers niet en was hij ook geen werkzoekende en ook is niet gebleken dat hij op dat moment beschikte over voldoende middelen van bestaan. Dat eiser sinds 1 december 2023 reële en daadwerkelijke arbeid in loondienst is gaan verrichten, maakt niet dat eiser alsnog rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gekregen, nu daarvoor vereist is dat het op de peildatum (31 december 2020) bestaande rechtmatig verblijf sindsdien ononderbroken is voortgezet. Daarvan is in eisers geval geen sprake.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder ook geconcludeerd dat er op 7 september 2021 ten onrechte aan eiser een verblijfsdocument is afgegeven. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat eiser pas veel later arbeid is gaan verrichten dan uit de destijds door hem overgelegde stukken bleek.
Verweerder heeft in het kader van de verwijderingsmaatregel een belangenafweging gemaakt. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de (economische) belangen van de Nederlandse staat om eiser te verwijderen uit Nederland zwaarder wegen dan het belang van eiser om Nederland niet te hoeven verlaten.
Ook de belangenweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tussen het belang van de Nederlandse staat om eiser geen verblijf toe te staan en eisers belang bij voorzetting in Nederland van zijn gezinsleven met zijn echtgenote en kinderen en zijn privéleven, heeft verweerder in het nadeel van eiser laten uitvallen.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd.
Juridisch kader
Het Verenigd Koninkrijk heeft zich op 31 januari 2020 teruggetrokken uit de Europese Unie (EU). Om deze terugtrekking ordelijk te laten verlopen hebben het Verenigd Koninkrijk en de EU het Terugtrekkingsakkoord gesloten. Daarin is afgesproken dat er een overgangsperiode is, die eindigt op 31 december 2020, gedurende welke de EU het Verenigd Koninkrijk nog als lidstaat behandelt. Het Terugtrekkingsakkoord bevat verder onder meer bepalingen om de bestaande verblijfsrechten van Britse onderdanen in EU-landen te waarborgen.
Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van het Terugtrekkingsakkoord vallen burgers van het Verenigd Koninkrijk die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in een lidstaat hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en daar ook daarna hun verblijf voortzetten onder de personele werkingssfeer van Deel Twee – ‘Rechten van Burgers’ – van het Terugtrekkingsakkoord.
Op grond van artikel 13, eerste lid, van het Terugtrekkingsakkoord, voor zover hier van belang, hebben onderdanen van het Verenigd Koninkrijk het recht in het gastland te verblijven onder de beperkingen en voorwaarden als vermeld in de artikelen 21, 45 of 49 VWEU en in artikel 6, lid 1, artikel 7, lid 1, onder a, b of c, artikel 7, lid 3, artikel 14, artikel 16, lid 1, of artikel 17, lid 1, van Richtlijn 2004/38/EG.
Op grond van artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) – waarin artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn is geïmplementeerd – heeft de vreemdeling die Unieburger is, voor zover hier van belang, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:
a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;
b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.
Verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord
5. Eiser verblijft sinds 15 oktober 2020 in Nederland. De overgangsperiode zoals overeengekomen in het Terugtrekkingsakkoord eindigde op 31 december 2020. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat eiser weliswaar vóór het einde van de overgangsperiode enige vorm van verblijfsrecht heeft gehad, maar op de peildatum van 31 december 2020 geen rechtmatig verblijf had overeenkomstig de Verblijfsrichtlijn en dat verblijf nadien dus ook niet heeft voortgezet. Dit heeft geleid tot de vaststelling van verweerder dat eiser nooit rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De periode tot en met 15 januari 2021
Ter zitting heeft verweerder, desgevraagd, toegelicht dat eiser in de periode van 15 oktober 2020 (de datum van zijn binnenkomst in Nederland) tot en met 15 januari 2021 voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Op grond van deze bepaling heeft een burger van de Unie het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Verweerder heeft ter zitting, desgevraagd, verder te kennen gegeven dat het voorgaande betekent dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf had op grond van het Terugtrekkingsakkoord en erkend dat de vaststelling in het bestreden besluit dat eiser nooit rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord in zoverre dan ook niet juist is. De rechtbank onderschrijft dit gewijzigde standpunt van verweerder en legt verderop in deze uitspraak uit wat de gevolgen hiervan zijn.
De periode na 15 januari 2021
Verweerder heeft ter zitting verder gesteld dat eiser na 15 januari 2021 niet voldeed aan de voorwaarden van (voortgezet) rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit betekent volgens verweerder dat eiser zijn rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht na 15 januari 2021 niet heeft voortgezet en dat hij daarom vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf meer had op grond van het Terugtrekkingsakkoord. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
Eiser heeft in de periode van 16 januari 2021 tot 22 mei 2021, met toestemming van het COa, bij zijn echtgenote en twee kinderen in een asielzoekerscentrum (azc) verbleven. Niet in geschil is dat eiser in die periode geen arbeid heeft verricht en ook niet naar arbeid heeft gezocht. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat eiser in die periode niet kon worden aangemerkt als ‘economisch actieve vreemdeling’ in de zin van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn). Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser in die periode ook niet kon worden aangemerkt als ‘economisch niet-actieve vreemdeling’ in de zin van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn). Hiertoe geldt het volgende. Eiser heeft verklaard dat hij in voormelde periode mede gebruik heeft gemaakt van de voorzieningen (opvang) en verstrekkingen (leefgeld) die het COa aan zijn echtgenote en kinderen bood. Verweerder stelt terecht dat eiser hiermee indirect een beroep heeft gedaan op de algemene middelen. Dit vormt een indicatie dat eiser in die periode niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. Eiser heeft weliswaar verklaard dat hij in die periode ook nog beschikte over contant geld van vrienden en spaargeld, maar hij heeft dit, ondanks de hem daartoe geboden gelegenheid, niet met documenten onderbouwd. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat niet is gebleken dat eiser in voormelde periode beschikte over voldoende middelen van bestaan om hem te kunnen aanmerken als ‘economisch niet-actieve vreemdeling’.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat eiser in de periode van 16 januari 2021 tot 22 mei 2021 geen rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn heeft gehad. Dat het eiser in die periode bij wijze van hoge uitzondering door het COa was toegestaan om bij zijn echtgenote en kinderen in het azc te verblijven, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit onverlet laat dat eiser in die periode niet kon worden aangemerkt als ‘economische actieve of niet-actieve vreemdeling’.
De rechtbank overweegt verder dat eiser ook in de periode vanaf 22 mei 2021 tot 1 december 2023 niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn. Dit legt zij hierna uit.
Vanaf 22 mei 2021 tot 1 september 2022 heeft eiser, zo is niet in geschil, geen arbeid verricht. Vanaf 1 september 2022 is eiser wel gaan werken in loondienst, maar die arbeid kan (tot 1 december 2023) niet worden aangemerkt als reële en daadwerkelijke arbeid. In de periode van 1 september 2022 tot 1 december 2023 waren zijn inkomsten uit arbeid namelijk ruimschoots lager dan 50% van de toepasselijke bijstandsnorm en werkte hij ruimschoots minder dan ten minste 40% van de gebruikelijke volledige arbeidstijd (zie paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000). Uit het voorgaande volgt dat eiser in de periode van 22 mei 2021 tot 1 december 2023 niet kon worden aangemerkt als werknemer en evenmin als zelfstandige. Voorts is niet gebleken dat eiser in die periode kon worden aangemerkt als werkzoekende, nu hij geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij in die periode heeft gezocht naar reële en daadwerkelijke arbeid. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat eiser in de periode vanaf 22 mei 2021 tot 1 december 2023 niet kon worden aangemerkt als ‘economisch actieve vreemdeling’ in de zin van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn).
Eiser stelt verder dat hij in de periode vanaf 22 mei 2021 tot 26 juli 2022 weliswaar geen inkomen had, maar nog wel beschikte over voldoende middelen. Eiser heeft deze stelling echter, ondanks de hem hiertoe geboden gelegenheid, niet met documenten onderbouwd, zodat verweerder die stelling niet heeft hoeven volgen. Verder is gebleken dat eiser vanaf 26 juli 2022 tot en met in ieder geval 30 november 2023, samen met zijn echtgenote, een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm heeft ontvangen. Hiermee is gegeven dat eiser in die periode niet beschikte over voldoende middelen van bestaan. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht gesteld dat eiser in de periode vanaf 22 mei 2021 tot 1 december 2023 evenmin kon worden aangemerkt als ‘economisch niet-actieve vreemdeling’ in de zin van artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb (artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn).
Uit wat er hiervoor, onder 5.2.1. en 5.2.2, is overwogen volgt dat eiser zijn rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht na 15 januari 2021 niet heeft voortgezet. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat eiser na 15 januari 2021 niet meer onder de personele werkingssfeer van het (hier relevante Deel Twee van het) Terugtrekkingsakkoord viel en daarom, geen rechtmatig verblijf meer had op grond daarvan. In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van het Terugtrekkingsakkoord volgt namelijk dat onder de personele werkingssfeer vallen: onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die overeenkomstig het recht van de Unie voor het eind van de overgangsperiode in een lidstaat hun recht op verblijf hebben uitgeoefend en daar ook daarna hun verblijf voortzetten. Aan dit laatste vereiste – te weten: het voortzetten van het rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht – voldoet eiser na 15 januari 2021 niet meer.
Eiser heeft in de bezwaarfase documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij vanaf 1 december 2023 meer is gaan werken en meer is gaan verdienen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met ingang van 1 december 2023 reële en daadwerkelijke arbeid verricht en dat hij daarmee aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrichtlijn is gaan voldoen. Anders dan eiser stelt, betekent dit echter niet dat eiser vanaf 1 december 2023 weer rechtmatig verblijf heeft gekregen op grond van het Terugtrekkingsakkoord. Onder de personele werkingssfeer van het (hier relevante deel van het) Terugtrekkingsakkoord vallen slechts onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die op 31 december 2020 in een EU-lidstaat rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht hadden en dat rechtmatig verblijf nadien hebben voortgezet (zie het hiervoor aangehaalde artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van het Terugtrekkingsakkoord). Eisers rechtmatig verblijf overeenkomstig het Unierecht is na 15 januari 2021 echter niet voortgezet, maar geëindigd. Daardoor valt eiser vanaf dat moment niet meer onder het Terugtrekkingsakkoord en kan hij daar ook geen rechtmatig verblijf meer aan ontlenen. Het Terugtrekkingsakkoord bevat geen bepalingen die inhouden dat een eenmaal geëindigd rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord weer herleeft zodra een onderdaan van het Verenigd Koninklijk weer aan de voorwaarden van de Verblijfsrichtlijn gaat voldoen. Het is ook niet de bedoeling van het Terugtrekkingsakkoord om nieuwe verblijfsrechten voor Britse onderdanen in de EU in het leven te roepen, maar slechts om bestaande verblijfsrechten te waarborgen. Anders gezegd: om onder het Terugtrekkingsakkoord te kunnen blijven vallen moet het reeds op 31 december 2020 bestaande rechtmatig verblijf van de Britste burger nadien ononderbroken voortduren. Daarvan is in eisers geval geen sprake. Eisers standpunt dat verweerder in het primaire besluit (p. 6, vierde alinea) heeft vermeld dat hij weer rechtmatig in Nederland kan verblijven als hij aan de voorwaarden van de Verblijfsrichtlijn gaat voldoen, leidt niet tot een ander oordeel, alleen al niet nu verweerder deze overweging in het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd (zie het bestreden besluit, p. 4, zevende alinea).
Ten aanzien van eisers stelling dat hij aan het aan hem op 7 september 2021 toegekende verblijfsdocument het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij rechtmatig verblijf heeft op grond onder het Terugtrekkingsakkoord, overweegt de rechtbank als volgt. Het verblijfsrecht op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft een declaratoir karakter en ontstaat dus niet door de afgifte van een verblijfsdocument door verweerder. Zoals hiervoor is overwogen, had eiser op 7 september 2021 geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord. De afgifte van een verblijfsdocument maakt dat niet anders. Daarbij komt dat verweerder het verblijfsdocument destijds heeft afgegeven op basis van informatie die, achteraf, niet juist was. Uit de destijds door eiser verstrekte informatie bleek namelijk dat eiser met ingang van 1 juli 2021 zou gaan werken, met een arbeidstijd van 35 uur per week en een brutosalaris van € 1.680,- per maand, op grond waarvan hij aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrechtlijn zou voldoen. Eisers is in werkelijkheid echter pas met ingang van 1 september 2022 gaan werken, en ook nog eens met een ruim kortere arbeidstijd en een veel lager salaris, waarmee hij niet aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf overeenkomstig artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verblijfsrechtlijn voldeed (zie 5.2.2). Gelet op het vorenstaande komt eiser geen geslaagd beroep toe op het vertrouwensbeginsel en kan hij op die grond geen verblijfsrechten ontlenen aan het Terugtrekkingsakkoord.
Tussenconclusie
De slotsom van het voorgaande is als volgt. Eiser heeft tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf gehad op grond van het Terugtrekkingsakkoord en na 15 januari 2021 niet meer. Dit betekent dat de vaststelling in het bestreden besluit dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad onjuist is voor zover die ziet op de periode tot en met 15 januari 2021 en juist is voor die ziet op de periode na 15 januari 2021. In overwegingen 8. en 8.1. van deze uitspraak legt de rechtbank uit wat de gevolgen zijn van deze gedeeltelijk onjuiste vaststelling in het bestreden besluit. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt deels.
Belangenafweging in het kader van de verwijderingsmaatregel
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraken van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585, volgt dat verweerder voorafgaand aan het nemen van een verwijderingsmaatrel een belangenafweging moet maken en daarbij moet motiveren of de vreemdeling een onredelijke belasting vormt voor het socialebijstandsstelsel. Verweerder heeft in het bestreden besluit in het kader van de verwijderingsmaatregel een dergelijke belangenafweging gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle bekende en van belang zijnde omstandigheden bij die belangenafweging heeft betrokken.
Bij die belangenafweging heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte zwaar gewicht toegekend aan het Nederlands economisch belang, dat (onder andere) inhoudt dat moet worden voorkomen dat vreemdelingen een (langdurig) beroep doen op de algemene middelen. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat hij met ingang van 26 juli 2022 samen met zijn echtgenote op grond van de Participatiewet een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm ontving en dat niet is gebleken dat die uitkering ten tijde van het bestreden besluit reeds was stopgezet. Dit betekent dat eiser ten tijde van het bestreden besluit van 27 maart 2024 al meer dan anderhalf jaar mede een beroep deed op de bijstand, hetgeen is aan te merken als forse periode. Gelet op de geringe inkomsten die eiser tot 1 december 2023 ontving (die met de uitkering zijn verrekend), had dit beroep op de bijstand bovendien voor het grootste gedeelte een meer dan aanvullend karakter.
Verweerder heeft verder in het voordeel van eiser gewogen dat hij vanaf 1 december 2023 reële en daadwerkelijke arbeid is gaan verrichten, maar niet ten onrechte in het nadeel van eiser gewogen dat hij voor die tijd – dus in de periode van 15 oktober 2020 tot 1 december 2023 – niet heeft gewerkt dan wel slechts marginale en bijkomstige arbeid heeft verricht. Dit betekent dat eiser ten tijde van het bestreden besluit slechts zeer kort en beperkt door middel van premies en belastingen had bijgedragen aan het socialebijstandsstelsel, terwijl hij een veel langere periode een beroep heeft gedaan op ditzelfde socialebijstandsstelsel. Hierbij komt, en dat heeft verweerder evenmin ten onrechte in eisers nadeel gewogen, dat niet is gebleken dat het voor eiser onmogelijk was om al eerder dan per 1 december 2023 reële en daadwerkelijke arbeid te verrichten. Ook is niet gebleken dat eiser vanaf het moment dat hij per 26 juli 2022 mede een beroep deed op de bijstand er alles aan heeft gedaan om zo snel mogelijk weer uit de bijstand te geraken. Eiser heeft weliswaar gesteld dat zijn gezinssituatie het voor hem onmogelijk maakte om meer te werken, maar eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en ook heeft hij niet uitgelegd waarom het vanaf 1 december 2023 dan wel mogelijk was om meer te werken, zodat deze stelling niet wordt gevolgd. Verder is nog van belang dat eisers salaris ook nadat hij vanaf 1 december 2023 reële en daadwerkelijke arbeid is gaan verrichten nog steeds een stuk lager was dan de bijstandsnorm voor gehuwden, waardoor de kans aanwezig blijft dat eiser langer en vaker een beroep op de bijstand zal doen.
Verweerder heeft evenmin ten onrechte in het nadeel van eiser meegewogen dat hij sterkere banden heeft met het Verenigd Koninkrijk dan met Nederland. Eiser heeft immers van 24 augustus 2002 tot 15 oktober 2020, aldus ruim 18 jaar, in het Verenigd Koninkrijk gewoond, heeft de Britste nationaliteit verkregen, spreekt de Engelse taal en heeft daar ook langere tijd gewerkt. Eisers verblijfsduur in Nederland (sinds 15 oktober 2020) is veel korter dan die in het Verenigd Koninkrijk en verder heeft eiser met Nederland als land (zo heeft hij verklaard) geen bijzondere banden, spreekt hij de Nederlandse taal beperkt en heeft hij in Nederland slechts een beperkte arbeidshistorie. Gelet hierop heeft verweerder niet ten onrechte gesteld en in het nadeel van eiser gewogen dat het voor eiser mogelijk is om terug te keren naar het Verenigd Koninkrijk en zijn leven daar voort te zetten.
Wel verblijven eisers echtgenote en twee minderjarige kinderen, op basis van een asielvergunning, in Nederland. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken dat eiser en zijn gezin hun gezinsleven niet in het Verenigd Koninkrijk kunnen uitoefenen. In dit verband is, kort gezegd – voor een uitgebreidere uitleg wordt verwezen naar overweging 7.6 – van belang dat op basis van wat eiser heeft aangedragen niet is gebleken dat eisers gezinsleden zo zeer aan Nederland zijn gebonden dat zij Nederland niet kunnen verlaten of dat vestiging in het Verenigd Koninkrijk voor hen onmogelijk dan wel zeer lastig is.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit een onredelijke belasting vormde voor het socialebijstandsstelsel (zie overwegingen 6.2 en 6.3) en dat verweerder zich, in het verlengde daarvan, niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het algemeen belang bij verwijdering van eiser uit Nederland zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het voortzetten van zijn verblijf in Nederland. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat er tussen eiser en zijn echtgenote en twee kinderen beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. Ook is niet in geschil dat eiser beschermenswaardig privéleven in Nederland heeft. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn gezins- en privéleven in Nederland en anderzijds het Nederlands algemeen belang bij het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling over de toetsing van een dergelijke belangenafweging, bijvoorbeeld de uitspraak 29 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1722, volgt dat de rechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het gezins- en privéleven van de vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn belangenafweging alle op dat moment bekende en door eiser aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden betrokken.
Uit wat er onder 6.2. en 6.3. is overwogen blijkt al dat er een stevig economisch belang aan de zijde van de Nederlandse staat bestaat om eiser geen verblijf in Nederland toe te staan. Verweerder heeft bij zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM het Nederlands economisch belang dan ook niet ten onrechte zwaar in het nadeel van eiser gewogen.
Onder 6.4. is al overwogen en uitgelegd dat eisers banden met het Verenigd Koninkrijk sterker zijn dan die met Nederland en dat eiser daarom in staat moet worden geacht om zijn privéleven in het Verenigd Koninkrijk voort te zetten. Gelet hierop heeft verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers belang bij voorzetting van zijn privéleven in Nederland niet opweegt tegen het stevige economisch belang van de Nederlandse staat om eiser geen verblijf toe te staan.
Over het belang van eiser en zijn gezin om hun gezinsleven in Nederland voort te zetten overweegt de rechtbank als volgt. Eisers echtgenote en minderjarige kinderen hebben in 2021 in Nederland een asielvergunning gekregen en verblijven op grond daarvan rechtmatig in Nederland. Gelet hierop hebben zij een binding met Nederland. Hoewel aan die binding gewicht toekomt, is niet gebleken dat die binding zo sterk is dat zij zonder meer in Nederland moeten blijven en zich niet samen met eiser in het Verenigd Koninkrijk kunnen vestigen. In dit verband is van belang dat hun verblijfsduur in Nederland ten tijde van het bestreden besluit nog niet heel lang was (5-6 jaar) en dat niet is gebleken dat zij in die periode een bijzondere binding met Nederland hebben opgebouwd. Eiser heeft gesteld dat zijn echtgenote een bloedziekte heeft, maar hij heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote om die reden aan Nederland gebonden is. Zo is niet onderbouwd dat zij hier in Nederland een behandeling ondergaat die hier moet worden voortgezet en ook is niet onderbouwd dat zij de benodigde behandeling niet in het Verenigd Koninkrijk kan krijgen. Hetzelfde geldt voor eisers oudste kind, die volgens eiser aan dezelfde ziekte lijdt. Voor eisers oudste kind geldt verder dat hij (ten tijde van het bestreden besluit) in Nederland naar school gaat. Hoewel dit zijn band met Nederland doet versterken, is hierdoor niet een band ontstaan die zo sterk is dat hij hier in Nederland moet blijven. De tijd dat het oudste kind hier naar school gaat, is nog relatief beperkt. Ook anderszins is niet gebleken dat de twee kinderen van eiser in Nederland zodanig geworteld zijn dat van hen niet kan worden gevergd dat zij zich samen met hun ouders in het Verenigd Koninkrijk vestigen. Verder geldt dat niet is gebleken van omstandigheden, gelegen in het Verenigd Koninkrijk, die maken dat het voor eisers echtgenote en kinderen onmogelijk (objectieve belemmeringen) of zeer lastig (subjectieve belemmeringen) is om zich in het Verenigd Koninkrijk te vestigen. De asielvergunning die aan hen is verleend heeft betrekking op Irak en niet op het Verenigd Koninkrijk. Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het belang van eiser en zijn gezin bij voortzetting van hun gezinsleven in Nederland niet opweegt tegen het stevige economisch belang van de Nederlandse staat om eiser geen verblijf toe te staan.
De slotsom is dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiser en zijn gezin heeft laten uitvallen. Dit betekent dat het niet toestaan van verblijf aan eiser in Nederland niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM, zoals verweerder in het bestreden besluit terecht heeft gesteld. De hiertoe aangevoerde beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is, gelet op het gebrek in het bestreden besluit zoals vermeld in overwegingen 5.1. en 5.3, gegrond.
De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover verweerders vaststelling daarin dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad ziet op de periode tot en met 15 januari 2021. De rechtbank zal op dit punt zelf in de zaak voorzien, door het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren, het primaire besluit in zoverre te herroepen en vast te stellen dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf op het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad. Deze uitspraak zal in de plaats treden van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige – dat wil zeggen: de vaststelling van verweerder die erop neerkomt dat eiser na 15 januari 2021 geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad, de verwijderingsmaatregel en de ambtshalve beslissing van verweerder dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM – in stand.
Griffierecht en proceskosten
9. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden.
10. Om dezelfde reden ziet de rechtbank ook aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerders vaststelling daarin dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad ziet op de periode tot en met 15 januari 2021, verklaart het bezwaar in zoverre gegrond en herroept het primaire besluit in zoverre;
- stelt vast dat eiser tot en met 15 januari 2021 rechtmatig verblijf op het Terugtrekkingsakkoord heeft gehad en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;
- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van
P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.