ECLI:NL:RBDHA:2026:25365

ECLI:NL:RBDHA:2026:25365

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.48486
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Bewaring, grensdetentie, art 6 lid 3, er hoeft geen pre-toets plaats te vinden of de asielaanvraag in de asielgrensprocedure kan worden afgedaan, geen categorische uitsluiting van het lichter middel, correcte afweging van het grensbewakingsbelang enerzijds en de vraag of de maatregel noodzakelijk en evenredig is anderzijds.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48486

(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),

en

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba).

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak. Eiser heeft de gronden van beroep ingediend. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 1 september 2026 om 17:01 uur gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

2. Eiser voert aan dat voornoemd uitgangspunt onjuist is. Uit artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening volgt slechts dat in de genoemde situaties de verplichting bestaat om de grensprocedure toe te passen. Het Unierecht legt geen automatische koppeling tussen het toepassen van de grensprocedure en grensdetentie. Bovendien behoort eiser conform het landenbeleid tot een risicoprofiel. Daarom geldt de voorwaarde dat het erkenningspercentage minder dan 20% is, niet voor hem. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Het grensbewakingsbelang kan niet zo groot zijn dat het beleid is dat een lichter middel nimmer effectief kan worden toegepast. Ook als het grensbelang wordt prijsgegeven, komt daaraan minder gewicht toe als iemand tot een risicoprofiel behoort. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van 17 juli 2026. Er is tijdens het gehoor geen enkele vraag gesteld of met een lichter middel kon worden volstaan. De minister heeft dit dan ook niet correct beoordeeld, aldus eiser.

3. De rechtbank volgt eiser daarin niet. De rechtbank begrijpt dat eiser stelt dat zijn asielaanvraag niet in de asielgrensprocedure kan worden behandeld, omdat hij tot een risicoprofiel behoort. Zodra in de asielgrensprocedure wordt geoordeeld dat de zaak niet in de grensprocedure kan worden afgedaan, vervalt de grondslag voor de vrijheidsontneming. Echter op voorhand kan niet worden gezegd dat de asielaanvraag niet in de grensprocedure kan worden afgedaan. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister enige tijd moet worden gegund om te beoordelen of de asielaanvraag inderdaad in de grensprocedure kan worden afgedaan, ook in het geval van een goed gedocumenteerde vreemdeling of een waarschijnlijk inwilligbaar verzoek. Deze beslissing wordt in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn, of onder omstandigheden al na het aanmeldgehoor. Op voorhand kan niet worden gezegd dat eiser tot het risicoprofiel behoort. De minister is niet gehouden een pre-scan te maken van de vraag of een zaak zich leent voor de grensprocedure.

De rechtbank overweegt verder dat voor een bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, niet vereist is dat er een risico bestaat op onderduiken. De reden voor inbewaringstelling is het grensbewakingsbelang. Dat in punt 33 van de preambule van de Opvangrichtlijn staat dat de minister moet onderzoeken of er alternatieven zijn, is dan ook gemotiveerd met een motivering over het grensbewakingsbelang. Uit vaste rechtspraak volgt dat het grensbewakingsbelang wordt prijsgegeven als er geen vrijheidsontnemende maatregel wordt toegepast, omdat het feitelijk onmogelijk is om de toegang te weigeren zonder maatregel. Echter vindt er wel een beoordeling plaats van het grensbewakingsbelang enerzijds en de bijzondere omstandigheden anderzijds bij de vraag of de maatregel noodzakelijk en evenredig is. In afwijking van de door eiser aangehaalde uitspraak van 17 juli 2026 volgt de rechtbank eiser daarom niet in zijn stelling dat het lichter middel categorisch wordt uitgesloten. In het gehoor is gevraagd naar redenen waarom eiser niet in bewaring zou kunnen, zoals het bestaan van familieleden, fysieke of mentale aandoeningen, rechtmatig verblijf of andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding geven alsnog toegang te verlenen tot Nederland en hem in de gelegenheid te stellen de asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Eiser heeft daarop ontkennend geantwoord. Daarvan is ook in beroep niet gebleken. De minister heeft eiser dan ook voldoende bevraagd en terecht gemotiveerd dat door eiser geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, dat eiser aangeeft geen bezwaren te hebben tegen de vrijheidsontnemende maatregel en dat daarom het grensbewakingsbelang ertoe leidt dat geen lichter middel wordt toegepast.

4. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.P. van Eerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand