RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49864
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Ambtshalve toets
Toetsingskader
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de AMB-Vo van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de AMB-Vo. In de AMB-Vo staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
2. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
3. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMB-Vo en er een risico bestaat dat eiseres zal onderduiken.
5. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Verweerder heeft ter zitting aangegeven de gronden a en p te laten vallen en de overige gronden te handhaven.
7. Eiseres betwist gronden k, r en s. Ten aanzien van grond k voert eiseres aan dat verweerder niet op basis van één vertrekgesprek en het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling kan concluderen dat eiseres geen medewerking verleend aan de overdracht naar Frankrijk. Ten aanzien van gronden r en s voert eiseres aan dat zij altijd op het AZC heeft verbleven en zij daarom een vaste woon- of verblijfsplaats heeft en dat zij op basis van het leefgeld van het COA beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gronden k, r en s terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd dat eiseres in het vertrekgesprek van 30 april 2026 en in het gehoor voorafgaand aan inbewaringstelling heeft verklaard niet terug te willen keren naar Frankrijk en geen medewerking aan de overdracht te zullen verlenen. Ten aanzien van de gronden r en s overweegt de rechtbank dat deze feitelijk juist zijn. Verweerder heeft hierbij voor grond r terecht gewezen op vaste jurisprudentie waaruit volgt dat een verblijf in een AZC geen vaste woon- of verblijfsplaats is. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat uit de gronden een risico op onderduiken volgt. De gronden zijn voldoende om de maatregel van vreemdelingenbewaring te dragen.
Voortvarend handelen
9. Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de overdracht naar Frankrijk. Volgens eiseres is de aangevraagde vlucht voor 10 september 2026 onvoldoende voortvarend.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de overdracht van eiseres onder begeleiding zal plaatsvinden omdat eiseres heeft aangegeven niet mee te zullen werken en omdat de uiterste overdrachtsdatum binnenkort nadert, namelijk op 18 september 2026. Omdat hiervoor escorts van de Koninklijke Marechaussee zijn vereist, duurt het regelen van de overdracht langer dan het geval zou zijn indien eiseres zonder escort zou worden overgedragen. Verweerder stelt hierbij terecht dat hem enige tijd moet worden geboden om de overdracht van eiseres in gang te zetten. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de begeleide overdracht van eiseres sneller had moeten bewerkstelligen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiseres naar Frankrijk.
Lichter middel
11. Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Omdat verweerder ter zitting twee gronden heeft laten vallen moet er volgens eiseres een belangenafweging worden gemaakt die zwaarder in het voordeel van eiseres weegt.
12. Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast om te bewerkstelligen dat eiseres zal worden overgedragen aan Frankrijk. Uit deze gronden, die terecht aan eiseres zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. Verweerder heeft terecht besloten om eiseres in vreemdelingenbewaring te stellen in plaats van een lichter middel, om te voorkomen dat zij zal onderduiken. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt niet.
13. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.
Conclusie
14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.