RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17617
(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en
(gemachtigde: K.A.W. Boonen).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Malinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep 11 juli 2025 behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden en de minister opgedragen om het rapport van TOELT, waarop de beleidswijziging ten aanzien van Mali van 17 juni 2025 gebaseerd is, in de procedure in te brengen. De minister heeft dit rapport op 24 september 2025 ingebracht. Eiseres heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, F. Sergent als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3 EVRM
Het asielrelaas
6. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is [functie] en heeft gezongen over vrouwenbesnijdenis en zich hier kritisch over uitgelaten. Naar aanleiding daarvan heeft zij bedreigingen ontvangen. Verder heeft eiseres verklaard dat haar eerste man in 2015 is overleden. Zijn familie dwong haar om met zijn broer te trouwen. Dit weigerde eiseres, waarop de familie van haar overleden echtgenoot haar heeft verstoten. Eiseres is vervolgens getrouwd met een Nederlandse man. Eenmaal in Nederland mishandelde hij haar en is zij van hem gescheiden. Naar aanleiding hiervan is de familie van haar ex-man haar gaan bedreigen. Ook haar eigen familie is haar gaan bedreigen, omdat zij door te scheiden de eer van de familie zou hebben aangetast.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
8. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en het derde asielmotief geloofwaardig zijn. Het tweede asielmotief acht de minister niet geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiseres in dit kader geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister werpt eiseres tegen dat zij wisselend heeft verklaard over de tijdlijn van de bedreigingen. Daarnaast zou eiseres tegenstrijdig hebben verklaard over het contact met haar oom en over de wens om terug te keren naar Mali. Ook vindt de minister dat eiseres summier heeft verklaard over de bedreigingen door de familie van haar ex-man. Ten slotte werpt de minister in dit kader tegen dat de gedragingen van eiseres onlogisch zijn.
9. De minister heeft de geloofwaardige asielmotieven beoordeeld op zwaarwegendheid. In dit kader stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft, omdat eiseres haar vrees in verband met de bedreigingen niet aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft namelijk verklaard dat zij sinds 2016 bedreigd wordt. Zij heeft echter tot 2021 in Mali verbleven zonder problemen. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister merkt [plaats 1] aan als de normale woon- en verblijfplaats van eiseres en overweegt dat in [plaats 1] geen gradatie van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, van toepassing is. De minister concludeert daarom dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank
Werkinstructie 2024/6
10. Eiseres voert, onder verwijzing naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank,
zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 aan dat Werkinstructie 2024/6 in strijd is met
het Unierecht en dat de minister deze werkinstructie daarom ten onrechte heeft toegepast.
11. De rechtbank stelt voorop dat de meervoudige kamer op 10 juni 2025 uitspraak
heeft gedaan over de verenigbaarheid van Werkinstructie 2024/6 met het Unierecht. De
rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze
overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025
overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van Werkinstructie 2024/6 in
iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige
geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of
de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.
12. De rechtbank zal dus in deze asielzaak van eiseres, aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden, toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas (gedeeltelijk) ongeloofwaardig is. Voor zover eiseres in beroep heeft aangevoerd dat toepassing van Werkinstructie 2024/6 per definitie in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank eiseres daarin dus niet. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van beantwoording van de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond. De beroepsgrond slaagt niet.
Referentiekader
13. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader, althans haar referentiekader niet kenbaar bij de besluitvorming heeft betrokken. Eiseres is analfabeet en nooit naar school geweest. Zij kan moeilijk haar aandacht bij een gesprek houden. Voorafgaand aan het nader gehoor is verzocht hier rekening mee te houden door korte vragen te stellen. Met dit verzoek heeft de minister ten onrechte geen rekening gehouden.
14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. Eiseres heeft niet concreet gemaakt waaruit dit zou blijken. Zo heeft eiseres niet duidelijk gemaakt welke vragen uit de gehoren niet aan haar gesteld hadden kunnen worden, gelet op haar referentiekader. De rechtbank ziet in de gehoorverslagen geen vragen die niet gesteld hadden kunnen worden aan een ongeschoolde vrouw van vijfenveertig jaar oud. Ook overigens ziet de rechtbank in de wijze waarop de gehoren zijn verlopen of de manier waarop de asielaanvraag van eiseres is beoordeeld geen aanknopingspunten voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
15. Eiseres voert aan dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. In het navolgende zal de rechtbank de tegenwerpingen van de minister afzonderlijk bespreken.
- Wisselende verklaringen tijdlijn bedreigingen
16. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij wisselend heeft verklaard over de tijdlijn van de bedreigingen. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat zij sinds haar vertrek uit de woning van haar ex-man wordt bedreigd. Ook heeft zij verklaard dat dat was op 1 februari 2023. Echter, met de correcties en aanvullingen heeft zij dit gecorrigeerd naar 3 juni 2024. De minister volgt deze correctie ten onrechte niet. Eiseres voelde zich niet goed tijdens het nader gehoor toen deze vragen werden gesteld. Dit heeft zij meermaals aangegeven. De minister heeft dit miskend.
17. De rechtbank is van oordeel dat de minister de wisselende verklaringen over de bedreigingen ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen. Uit het verslag van het nader gehoor komt naar voren dat eiseres zich niet goed voelde tijdens het gehoor, en met name rond het moment dat haar gevraagd werd naar de bedreigingen van haar eigen familie en van haar ex-man en zijn familie. Op de vraag of het goed met haar ging, antwoordde eiseres: “Een beetje”. Vervolgens gaf zij aan dat zij veel aan haar hoofd had, dat zij geen besef van data had en dat zij hoofdpijn begon te krijgen. Daarna gaf zij drie keer aan moe te zijn. Ook door de tolk werd waargenomen dat eiseres waarschijnlijk dingen door elkaar haalde. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met deze gemoedstoestand van eiseres.
18. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat het noemen van een verkeerde datum aan eiseres tegengeworpen mag worden aangezien dit na een ingelaste pauze was, volgt de rechtbank dit niet. Weliswaar is een pauze van een kwartier aangeboden nadat eiseres meermaals had aangegeven dat het niet goed met haar ging, maar uit het gehoorverslag kan niet worden afgeleid dat zij daarna geen last meer had van verwardheid. Eiseres gaf bij het noemen van de datum van 1 februari 2023 ook aan dat zij zich mogelijk vergiste. Ook heeft eiseres deze datum gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister heeft, mede gelet op het voorgaande, niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij deze correctie niet volgt.
- Tegenstrijdige verklaringen contact oom
19. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over het contact met haar oom. De minister vindt het ten onrechte tegenstrijdig dat eiseres enerzijds heeft verklaard gesprekken met haar oom [naam] gevoerd te hebben en dat zij anderzijds heeft verklaard dat [naam] niets wilde horen over de scheiding. Deze omstandigheden kunnen volgens eiseres naast elkaar bestaan.
20. De rechtbank is met eiseres van mening dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over het contact met haar oom. Eiseres heeft verklaard dat zij geprobeerd heeft om alle ellende rondom de scheiding aan haar oom [naam] te vertellen. Op de vraag of [naam] verder nog iets zei over de reden van de scheiding, antwoordde eiseres: “Hij wilde er niks van weten. Van hem moest ik bij mijn ex-man blijven”. Hieruit maakt de rechtbank op dat eiseres gesprekken met haar oom heeft gevoerd en hem heeft verteld over de scheiding, maar dat een scheiding voor haar oom niet bespreekbaar was. Van hem moest eiseres immers bij haar ex-man blijven. De rechtbank volgt de tegenwerping van de minister niet.
- Tegenstrijdige verklaringen wens terugkeer Mali
21. De rechtbank stelt vast dat de minister op de zitting heeft aangegeven dat hij de tegenwerping, dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over haar wens om terug te keren naar Mali, niet langer te handhaaft. Deze tegenwerping behoeft daarom geen bespreking.
- Summiere verklaringen bedreigingen door familie van ex-man
22. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij summier heeft verklaard over de bedreigingen die zij ontving van de familie van haar (Nederlandse) ex-man. Eiseres heeft alles verteld wat zij hierover kon vertellen. De betreffende bedreigingen zijn door haar ex-man naar haar doorgestuurd via WhatsApp, waardoor eiseres niet heeft kunnen zien van wie deze bedreigingen oorspronkelijk afkomstig waren. Bovendien heeft haar ex-man deze berichten naderhand weer verwijderd, waardoor de inhoud van de dreigberichten niet meer zichtbaar is.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiseres summier heeft verklaard over de bedreigingen van de familie van haar ex-man. Eiseres heeft verklaard dat zij met de dood werd bedreigd, maar heeft weinig kunnen vertellen over de concrete inhoud van de berichten. Ook heeft eiseres geen antwoord kunnen geven op de vraag van wie deze berichten precies afkomstig waren. De minister heeft daarom kunnen overwegen dat eiseres dermate summier heeft verklaard over de bedreigingen van de familie van haar ex-man, dat niet beoordeeld kan worden of deze verklaringen geloofwaardig zijn.
- Onlogische gedragingen
24. Eiseres voert aan dat de minister haar ten onrechte heeft tegengeworpen dat het onlogisch is dat zij geen andere familieleden dan haar oom [naam] heeft geïnformeerd over de problemen die zij had met haar ex-man in Nederland.
25. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte onlogische gedragingen aan eiseres heeft tegengeworpen. Eiseres heeft in haar zienswijze onderbouwd uiteengezet dat het in de Malinese stammencultuur gebruikelijk is dat de stamoudste, in dit geval oom [naam] , alles in de familie bepaalt en dat de familie hem gehoorzaamd. Eiseres heeft betoogd dat, nu oom [naam] tegen de scheiding van eiseres en haar ex-man was, het geen enkele zin had om steun te vragen van andere familieleden. De minister is in het bestreden besluit voorbij gegaan aan deze uitleg en onderbouwing en heeft dus niet deugdelijk gemotiveerd waarom de gedragingen van eiseres afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van haar asielrelaas.
- Conclusie geloofwaardigheidsbeoordeling
26. De rechtbank concludeert dat de minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiseres summier heeft verklaard over de bedreigingen die zij ontving van de familie van haar ex-man. Daarentegen zijn de overige tegenwerpingen van de minister onvoldoende gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank is de tegenwerping dat eiseres summier heeft verklaard over de bedreigingen van de familie van haar ex-man, onvoldoende dragend voor het standpunt van de minister dat het tweede asielmotief ongeloofwaardig is. Gelet op het voorgaande heeft de minister dit standpunt niet deugdelijk gemotiveerd. Dit levert een motiveringsgebrek op. De beroepsgrond slaagt.
Woon- en verblijfplaats van eiseres
27. In het kader van de zwaarwegendheid voert eiseres aan dat de minister er ten onrechte vanuit is gegaan dat [plaats 1] haar normale woon- en verblijfplaats is. Eiseres betoogt dat [plaats 2] moet worden aangemerkt als haar normale woon- en verblijfplaats.
28. De rechtbank stelt voorop dat ten aanzien van [plaats 2] , dat in de regio [regio] ligt, wordt aangenomen dat er sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Uit het beleid van de minister volgt verder dat voor vreemdelingen afkomstig uit, onder meer, de regio [regio] , een binnenlands beschermingsalternatief in het district [plaats 1] kan worden tegengeworpen. Gelet hierop, is het relevant om vast te stellen wat de normale woon- en verblijfplaats van eiseres is.
29. De rechtbank stelt vast dat de minister een tijdlijn heeft geschetst aan de hand van de verklaringen van eiseres. Hieruit volgt dat eiseres is geboren in 1980 en tot uiterlijk 2007 in [plaats 2] heeft gewoond. Vervolgens is eiseres naar [plaats 1] vertrokken, waar zij in ieder geval dertien jaar (maar mogelijk langer) heeft gewoond en bevallen is van haar kinderen. Na de dood van haar echtgenoot en het huwelijk met haar tweede (Nederlandse) echtgenoot is eiseres eind 2020 teruggekeerd naar [plaats 2] om in december 2021 Mali te verlaten. Gelet op deze tijdlijn heeft de minister overwogen dat [plaats 1] als de normale woon- en verblijfplaats van eiseres moet worden aangemerkt. Afgezet tegen de periode waarin eiseres dertien jaar of langer in [plaats 1] heeft gewoond, heeft eiseres namelijk relatief kort in [plaats 2] verbleven voordat zij naar Nederland vertrok. De minister heeft van belang geacht dat het, anders dan bij haar vestiging in [plaats 1] , evident niet de bedoeling van eiseres was om in [plaats 2] te blijven wonen. Zij verbleef haar laatste jaar in [plaats 2] enkel in afwachting van haar vertrek naar Nederland.
30. De rechtbank kan deze tijdlijn en de conclusies die de minister daaruit trekt, volgen. Ook eiseres zelf heeft op de zitting aangegeven dat de tijdlijn correct is. Eiseres vindt echter dat de omstandigheden waaronder zij destijds in [plaats 1] verbleef moeten worden betrokken. Immers, gedurende de periode van ongeveer dertien jaar dat zij in [plaats 1] verbleef, had zij bescherming van haar toenmalige echtgenoot. Eiseres betoogt dat de minister heeft miskend dat die omstandigheden nu anders zijn. Als eiseres nu zou moeten terugkeren naar [plaats 1] , zou dat als alleenstaande vrouw zonder netwerk zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter geen omstandigheid die de minister had moeten betrekken bij de vaststelling van de normale woon- en verblijfplaats van eiseres. De minister heeft dus terecht [plaats 1] als normale woon- en verblijfplaats van eiseres aangemerkt.
15c-situatie in [plaats 1]
31. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar [plaats 1] een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Eiseres betoogt dat de minister voor [plaats 1] ten onrechte geen gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Eiseres heeft landeninformatie overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Mali, in het bijzonder [plaats 1] , verouderd is.
32. De rechtbank stelt vast dat het huidige landenbeleid ten aanzien van Mali gebaseerd is op het rapport van TOELT van februari 2025. Dit rapport ziet op de veiligheidssituatie in Mali in 2024. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het landenbeleid, gebaseerd op de veiligheidssituatie in 2024, nog voldoende aansluit bij de veiligheidssituatie in [plaats 1] op dit moment.
33. Uit de door eiseres overgelegde landeninformatie volgt dat de jihadistische, aan Al-Qaida gelieerde, terroristische organisatie Jama’at Nasr al-Islam (JNIM) actief is in [plaats 1] . JNIM heeft het daar gemunt op de centrale regering, de militaire junta. JNIM heeft meerdere terroristische aanslagen gepleegd in [plaats 1] , waaronder een terroristische aanslag op 27 februari 2025 aan de rand van de stad, en in april 2026 een aanslag op de defensieminister en een terreuraanslag bij het vliegveld. Ook de humanitaire situatie is ernstig verslechterd na 2024. Dit komt mede door een door JNIM opgelegde blokkade van [plaats 1] . Dit begon als een brandstofblokkade maar is inmiddels uitgebreid naar een volledige blokkade van de stad. De blokkade heeft grote tekorten, sterke prijsstijgingen van veel goederen, en een bedreiging van de elektriciteitsvoorziening als gevolg.
34. Het standpunt van de minister hierover is dat uit deze informatie geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan uit het TOELT rapport waarop het huidige landenbeleid gebaseerd is. Ook in september 2024 werd er al een aanslag gepleegd door JNIM op de luchthaven van [plaats 1] waarbij meer dan 70 doden en 250 gewonden vielen. De minister erkent dat er ook na de verslagperiode van het TOELT rapport nog aanslagen zijn gepleegd, maar stelt zich op het standpunt dat niet gesproken kan worden van een gewapend conflict zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en dat de situatie in [plaats 1] nog steeds relatief goed en rustig is.
34. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat er na de verslagperiode van het TOELT rapport dusdanig belangrijke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden ten aanzien van de veiligheidssituatie in [plaats 1] , dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het landenbeleid daar nog bij aansluit. Zo was er in de verslagperiode van het TOELT rapport nog geen sprake van een blokkade van [plaats 1] . Ook hebben na de verslagperiode nog grote aanslagen plaatsgevonden waarbij burgers zijn gedood. Daarnaast gaat het TOELT rapport nog uit van slechts twee strijdende partijen in [plaats 1] , JNIM en het leger, terwijl de separatistische groep ALF zich inmiddels ook in de strijd heeft gemengd. Het voorgaande levert een motiveringsgebrek op. De minister zal een nieuwe, actuele beoordeling moeten maken van de veiligheids- en humanitaire situatie in [plaats 1] . De beroepsgrond slaagt.
36. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Mali risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat zij als [functie] kritische muziek heeft gemaakt en omdat zij een alleenstaande vrouw zonder netwerk is. De minister heeft dit ten onrechte miskend.
37. De rechtbank constateert dat de minister, bij zijn beoordeling of eiseres bij terugkeer naar Mali een reëel risico loopt op ernstige schade, niet kenbaar heeft betrokken dat eiseres als artiest maatschappijkritische muziek heeft gemaakt en terug zou moeten keren naar een gebied waar inmiddels jihadistische groeperingen actief zijn. De minister heeft evenmin beoordeeld of eiseres moet worden aangemerkt als vrouw zonder netwerk. In dit kader is relevant hoe de minister de door eiseres overgelegde WhatsApp berichten met de bedreigingen van oom [naam] beoordeelt. De minister heeft hier in de besluitvorming echter geen standpunt over ingenomen. Op de zitting heeft de minister hierover gezegd dat WhatsApp berichten makkelijk zelf op te stellen zijn en dat, als deze echt zouden zijn, de WhatsApp berichten niet voldoende zouden zijn om aan te kunnen nemen dat eiseres een alleenstaande vrouw zonder netwerk is. De rechtbank is van oordeel dat deze motivering tekortschiet. De beroepsgrond slaagt. De minister zal een nieuwe, actuele 3 EVRM beoordeling moeten maken. De minister zal daarbij de (geloofwaardig geachte) kritische muziek en naamsbekendheid van eiseres moeten betrekken. Ook zal de minister een gemotiveerd standpunt moeten innemen over de echtheid en de waarde van de WhatsApp berichten van oom [naam] en over de stelling van eiseres dat zij een alleenstaande vrouw zonder netwerk is.
Conclusie en gevolgen
38. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiseres gelijk heeft. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen.
39. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
40. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.