RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32255
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
(gemachtigde: mr. E.M. Spijkerman).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1994. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister, en M.N. Haydari als tolk.
6. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
7. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij Pakistan heeft verlaten om economische redenen. Tevens heeft eiser verklaard biseksueel te zijn, waardoor hij problemen heeft ondervonden in Pakistan.
Het bestreden besluit
8. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief geloofwaardig is. Het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c. van de Vw. In dit kader werpt de minister tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn biseksuele gerichtheid en zijn redenen van vertrek. Ook heeft eiser volgens de minister onvoldoende inzicht geboden in zijn gevoelens. Daarnaast heeft eiser tegenstrijdig verklaard over zijn relaties en over met wie hij over zijn seksuele gerichtheid heeft gepraat. Verder vindt de minister dat eiser onvoldoende kennis heeft over de situatie voor LHBTI’ers in Nederland. Ten slotte werpt de minister tegen dat eiser tegenstrijdig en ongerijmd heeft verklaard over de problemen met zijn familie. Verder vindt de minister het tweede asielmotief ongeloofwaardig omdat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Het economische motief heeft de minister niet beoordeeld omdat dit geen raakvlak heeft met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De minister merkt dit motief daarom niet aan als relevant asielmotief.
De minister heeft het geloofwaardige asielmotief beoordeeld op zwaarwegendheid. In dit kader stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.
De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank
Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen in het kader van het tweede asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal hierna alle tegenwerpingen van de minister in het kader van voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw, afzonderlijk bespreken.
- Wisselende verklaringen seksuele gerichtheid en redenen van vertrek
10. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij wisselend heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en over zijn redenen van vertrek. Dat eiser aanvankelijk verklaarde te zijn gevlucht om economische redenen, heeft te maken met zijn verlegenheid en kan hem daarom niet worden tegengeworpen. Ten aanzien van zijn seksuele gerichtheid meent eiser dat hij eenduidig heeft verklaard op zowel mannen als vrouwen te vallen. Dat hij heeft verklaard zich niet te rekenen tot de LHBTI-gemeenschap, maakt dat niet anders. Daarmee bedoelde eiser slechts dat hij geen actief lid is van die gemeenschap.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn redenen van vertrek en zijn seksuele gerichtheid. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat uit de verklaringen van eiser niet eenduidig blijkt waarom hij is gevlucht, althans dat hij is gevlucht vanwege zijn seksuele gerichtheid. Zo heeft eiser in zijn vrije relaas alleen gesproken over financiële problemen en werkgelegenheid. Vervolgens heeft eiser verklaard in Pakistan nooit persoonlijke problemen te hebben ondervonden vanwege zijn seksuele gerichtheid en/of genderidentiteit. Eiser heeft daarbij vermeld dat hij zich in Nederland comfortabel voelt met mensen van de LHBTI-gemeenschap, maar heeft ontkennend geantwoord op de vraag of hij zichzelf ook tot die gemeenschap rekent. Pas later in het nader gehoor, nadat de hoormedewerker meermaals heeft doorgevraagd en uiteindelijk expliciet heeft gevraagd naar de seksuele gerichtheid van eiser, heeft eiser verklaard dat hij op zowel mannen als vrouwen valt. Pas daarna is eiser ingegaan op de problemen die hij zou hebben ervaren vanwege zijn seksuele gerichtheid. Het betoog van eiser, dat hij met zijn ontkennende antwoord op de vraag of hij bij de LHBTI-gemeenschap hoort bedoelde dat hij geen actief lid is, zou gevolgd kunnen worden. Maar al het voorgaande in samenhang bezien maakt dat de minister terecht heeft tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn redenen van vertrek en zijn seksuele gerichtheid. Daarbij is ook van belang dat de verlegenheid van eiser onverlet laat dat het aan de vreemdeling is om zijn redenen van vertrek en vrees bij terugkeer naar voren te brengen. Eiser is daar ook meermaals op gewezen en naar gevraagd. Bovendien kan uit de gehoren worden afgeleid dat de verlegenheid eiser niet in de weg heeft gezeten bij het verklaren over seksuele handelingen.
- Inzicht in gevoelens
12. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens. De minister werpt hem ten onrechte tegen dat hij voornamelijk over seksuele handelingen heeft verklaard. In de optiek van eiser dragen deze seksuele handelingen juist bij aan de geloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid, omdat het verrichten van seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht in zijn cultuur ondenkbaar is. De minister heeft dit miskend.
13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiser onvoldoende inzicht heeft geboden in zijn gevoelens. Eiser is meermaals in de gelegenheid gesteld om inzicht te geven in zijn gevoelens, bijvoorbeeld in zijn gevoelens voor mannen. Eisers verklaringen bleven echter beperkt tot seksuele gevoelens en seksuele handelingen. De hoormedewerker heeft overeenkomstig Werkinstructie 2019/17 erop gewezen dat de minister niet geïnteresseerd is in seksuele handelingen, maar meer in gevoelens en gedachten. Eiser heeft daar vervolgens niet meer inzicht in gegeven. Wel heeft eiser verklaard dat hij zich in Pakistan in zijn tienerjaren depressief en onderdrukt voelde toen hij erachter kwam dat hij op mannen viel. Maar op de vraag van de hoormedewerker hoe eiser daarmee omging, antwoordde eiser dat hij zijn seksuele verlangens probeerde te vervullen. De minister heeft dit onvoldoende kunnen vinden voor het standpunt van eiser dat hij wel degelijk voldoende inzicht heeft gegeven in zijn gevoelens.
14. Het betoog van eiser, dat het gelet op zijn culturele achtergrond niet vreemd is dat hij voornamelijk heeft verklaard over seksuele gevoelens, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit niet onderbouwd. Bovendien heeft de minister terecht overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer kan verklaren over zijn gevoelens bij zijn (seksuele) aantrekkingskracht tot mannen, juist omdat hij is opgegroeid in een land waar homoseksuele relaties verboden en taboe zijn.
- Tegenstrijdige verklaringen relaties
15. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relaties. Immers, het is niet altijd duidelijk wat onder een ‘relatie’ wordt verstaan. De minister gaat er ten onrechte vanuit dat eiser de verstandshoudingen met zijn neven en buurjongen zag als relaties. Op de zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij de vraag van de hoormedewerker, of [naam] zijn eerste relatie was, heeft opgevat als de vraag of [naam] zijn eerste relatie binnen de LHBTI-gemeenschap was.
16. De rechtbank stelt vast dat tijdens het nader gehoor aan eiser de volgende vraag is gesteld: “U vertelde mij eerder dat u een relatie hebt gehad met [naam] , behorende tot de LHBTI-community. Was dit uw eerste relatie?” Hierop heeft eiser bevestigend geantwoord, terwijl hij later in het nader gehoor heeft verklaard over seksuele ervaringen met zijn neven en buurjongen vóór zijn aankomst in Nederland en dus vóór de relatie met [naam] .
17. De rechtbank volgt het betoog van eiser ter zitting. Eiser heeft bovenstaande vraag kunnen interpreteren als een vraag naar zijn relaties binnen de LHBTI-gemeenschap. Temeer nu de vraag gesteld werd na een aantal andere vragen over relaties van eiser binnen de LHBTI-gemeenschap in Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relaties.
- Tegenstrijdige verklaringen praten over seksuele gerichtheid
18. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over met wie hij over zijn seksuele gerichtheid heeft gepraat. Dat eiser tijdens het nader gehoor bevestigde dat hij nooit eerder met iemand over zijn seksuele gerichtheid had gepraat, heeft de minister volgens eiser verkeerd opgevat. Hiermee bedoelde eiser namelijk dat hij nooit eerder in een formele context met een overheidsfunctionaris over dit onderwerp heeft gepraat. Eiser bedoelde hiermee niet te zeggen dat hij nooit met vrienden of gelijkgestemden over dit onderwerp heeft gesproken.
19. De rechtbank stelt vast dat in het nader gehoor aan eiser is gevraagd of dit de eerste keer is dat hij over zijn biseksuele geaardheid praat en dat eiser daar bevestigend op heeft geantwoord. Vervolgens is aan eiser gevraagd: “Hebt u hier met [naam] over gepraat?” Waarop eiser antwoordde: “Nee. We hebben vaak veel discussies hierover gehad. Maar het gehoor hier, zoals we hier over praten, heb ik met niemand besproken. Dit is mijn eerste keer”.
20. De rechtbank is van oordeel dat uit het bovenstaande volgt, althans niet valt uit te sluiten, dat eiser dacht dat er gevraagd werd naar zijn ervaring met het praten over zijn seksuele gerichtheid in officiële context. Die interpretatie valt dan te rijmen met de omstandigheid dat verder uit het nader gehoor blijkt dat eiser wel degelijk met partners over zijn seksuele gerichtheid sprak. Het standpunt van de minister dat eiser hierover tegenstrijdig heeft verklaard, doet hier geen recht aan.
- Kennis situatie LHBTI’ers in Nederland
21. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij onvoldoende kennis heeft over de situatie voor LHBTI’ers in Nederland. De minister heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen onderzoek heeft gedaan naar LHBTI organisaties in Nederland, terwijl eiser wel heeft verklaard daar interesse in te hebben. De minister miskent daarbij dat deze interesse pas onlangs is ontstaan. Eiser heeft zich eerst gefocust op zijn asielprocedure. Verder betoogt eiser dat hij, anders dan de minister heeft overwogen, voldoende kennis heeft getoond over de vrijheden die LHBTI’ers in Nederland hebben. Eiser heeft verklaard dat LHBTI’ers in Nederland in vrijheid kunnen leven en dat zij overal, door alle instanties, worden gerespecteerd. Deze verklaringen laten zien dat eiser de essentie begrijpt.
22. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat hij onvoldoende kennis heeft over de situatie voor LHBTI’ers in Nederland. Eiser heeft meermaals verklaard dat hij vrienden en (ex-)partners heeft die tot de LHBTI gemeenschap behoren. In zoverre heeft de minister het dus bevreemdend kunnen vinden dat eiser niet uitvoeriger heeft kunnen verklaren over de situatie voor LHBTI’ers in Nederland, zoals de verschillende organisaties die zich inzetten voor de rechten van LHBTI’ers.
- Tussenconclusie
23. De rechtbank concludeert dat de minister heeft mogen tegenwerpen dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn redenen van vertrek en zijn seksuele gerichtheid, dat eiser onvoldoende inzicht heeft geboden in zijn gevoelens, en dat eiser onvoldoende kennis heeft over de situatie voor LHBTI’ers in Nederland. Gelet hierop, heeft de minister zijn standpunt, dat eisers verklaringen over zijn seksuele gerichtheid geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, voldoende gemotiveerd. De minister heeft in zoverre de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten.
- Tegenstrijdige verklaringen problemen met familie
24. Eiser voert verder aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over de problemen met zijn familie. Ten eerste heeft eiser de vraag of hij ooit is mishandeld door de autoriteiten of door anderen, opgevat als een vraag naar mishandeling door de autoriteiten of door personen anders dan privépersonen. Dat eiser later in het nader gehoor verklaard heeft dat zijn vader en broers hem geslagen hebben, is daar dus niet mee in strijd. Ten tweede betoogt eiser dat de omstandigheid dat hij altijd voorzichtig was en de deur van zijn kamer op slot deed als hij met een man was, niet betekent dat het dus niet mogelijk was om betrapt te worden. Dat eiser altijd voorzichtig was, maar toch betrapt is, vindt de minister daarom ten onrechte ongerijmd. Ten slotte betoogt eiser dat de minister het ten onrechte tegenstrijdig vindt dat eiser enerzijds heeft verklaard te vrezen voor zijn familie, maar dat hij het anderzijds aan zijn vader heeft verklapt dat hij biseksueel is. In dit kader heeft eiser op de zitting verduidelijkt dat hij eerst betrapt werd en dat hij het vervolgens wel moést vertellen aan zijn vader.
25. De rechtbank overweegt dat eiser kan worden gevolgd in zijn standpunt dat voorzichtigheid op zichzelf geen garantie biedt op het niet betrapt worden. Bovendien constateert de rechtbank dat de minister tijdens het nader gehoor niet heeft doorgevraagd op de verklaringen van eiser dat hij zijn seksuele gerichtheid aan zijn familie zou hebben verklapt. In zoverre laat de motivering van de minister over de problemen met de familie te wensen over. Maar dit kan de vreemdeling niet baten. Zoals hiervoor is overwogen heeft de minister de gestelde seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten. Gelet hierop, heeft de minister zijn standpunt, dat eisers verklaringen over het tweede asielmotief – de gestelde problemen vanwege zijn biseksuele geaardheid – geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, voldoende gemotiveerd. De minister heeft artikel 31, zesde lid, onderdeel c, van de Vw terecht tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw
26. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser ziet niet in waarom het ontwijken van de Dublinprocedure afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas.
27. De rechtbank constateert dat niet in geschil is dat eiser heeft geprobeerd de Dublin procedure te omzeilen door meermaals met onbekende bestemming te vertrekken. Dit heeft eiser ook bevestigd in het nader gehoor. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit in het kader van artikel 31, zesde lid, onder e, van de Vw, heeft kunnen tegenwerpen.
Terugkeerbesluit
28. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd.
29. De rechtbank is van oordeel dat de minister, gelet op al het voorgaande, terecht een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
30. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 8 juli 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.