ECLI:NL:RBDHA:2026:25386

ECLI:NL:RBDHA:2026:25386

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 24-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.45694
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

grensdetentie art 6, lid 3, Vw 2000; lichter middel; grensbewakingsbelang; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres

de ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.45694

(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),

en

(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De ambtenaar hoefde ook niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

Eiseres heeft, anders dan in haar paspoort staat, aangegeven zich als vrouw te identificeren en aangesproken te willen worden als vrouw. De rechtbank gebruikt in deze uitspraak daarom ‘eiseres’.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de ambtenaar aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijk gesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

4. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Moest de ambtenaar met een lichter middel dan de inbewaringstelling volstaan?

5. Eiseres betoogt dat de ambtenaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring kon worden volstaan. Vreemdelingenbewaring hoort een ‘ultimum remedium’ te zijn, maar wordt standaard toegepast wanneer een vreemdeling aan de grens op Schiphol een asielwens uit. Al bij het uiten van die asielwens was duidelijk dat de asielaanvraag waarschijnlijk wordt ingewilligd, omdat eiseres toen al heeft genoemd dat zij behoort tot de LHBTIQ+ gemeenschap en afkomstig is uit Rusland. Daarnaast kampt eiseres met psychische problematiek, waardoor de maatregel van vreemdelingenbewaring voor haar onevenredig bezwarend is.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Van een dergelijk bijzonder geval is in dit geval geen sprake. Eiseres heeft in het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling namelijk weliswaar naar voren gebracht dat zij psychische problemen heeft en dat zij medicatie gebruikt, maar de ambtenaar heeft daar in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende rekening mee gehouden. De ambtenaar heeft namelijk in de maatregel van vreemdelingenbewaring opgenomen dat de medische zorgverlening in detentiecentra gelijkwaardig moet worden geacht aan de medische zorg in de vrije maatschappij en dat voor eiseres indien dat nodig blijkt ook een behandeling buiten het detentiecentrum kan worden georganiseerd. Daarmee is de medische zorg voor eiseres voldoende gewaarborgd en heeft de ambtenaar daar ook voldoende rekening mee gehouden bij het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiseres heeft ook niet onderbouwd dat en waarom de maatregel van vreemdelingenbewaring voor haar onevenredig bezwarend zou zijn.

De rechtbank constateert verder dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en

doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank

ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat een verzoeker op grond van artikel

artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de herziene Opvangrichtlijn

in bewaring mag worden gehouden met het oog op het nemen van een beslissing in het kader van een grensprocedure over zijn recht om het grondgebied te betreden. Verder wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin,

samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te

zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de

autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op

onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de

Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd

toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in

het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen ook op andere plaatsen in de Europese

regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid,

onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de preambule en

artikel 13 van de Schengengrenscode. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg

dat eiseres feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen

van een vrijheidsontnemende maatregel.

Dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet mocht worden opgelegd omdat de asielaanvraag overduidelijk zal worden ingewilligd volgt de rechtbank verder niet. Uit het landenbeleid voor de Russische Federatie volgt niet zonder meer dat aan elke LHBTIQ+’er een asielvergunning wordt verleend. Bovendien zal eerst moeten worden beoordeeld of geloofwaardig wordt geacht of eiseres tot die groep behoort en zo ja, of de problemen die zij als gevolg daarvan bij terugkeer verwacht ook aannemelijk en zwaarwegend genoeg zijn. Dat eiseres veel documenten heeft zal mogelijk helpen bij de beoordeling van de asielaanvraag, maar maakt niet dat op voorhand al vast stond dat die aanvraag tot inwilliging zou leiden. De ambtenaar hoefde ook daarom dus niet af te zien van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. van der Straaten

Griffier

  • mr. P.I. van der Meer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand