RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[de vreemdeling] , v-nummer: [x] , de vreemdeling
de ambtenaar belast met grensbewaking, de ambtenaar,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45715
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
(gemachtigde: mr. L.J.M. Rog).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan de vreemdeling is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De vreemdeling is het niet eens met die maatregel en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel en de vraag of aan de vreemdeling een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De ambtenaar hoefde ook niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
De vreemdeling heeft, anders dan in diens paspoort staat, aangegeven aangesproken te willen worden met genderneutrale voornaamwoorden. De termen ‘eiser’ of ‘eiseres’ bieden daarvoor onvoldoende mogelijkheid. De rechtbank gebruikt in deze uitspraak daarom ‘de vreemdeling’.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft de ambtenaar aan de vreemdeling de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. De ambtenaar heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijk gesteld met een door de vreemdeling ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. De vreemdeling is verschenen, bijgestaan door diens gemachtigde. De ambtenaar is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Moest de ambtenaar met een lichter middel van de inbewaringstelling volstaan?
3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.
4. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
5. De vreemdeling betoogt dat de ambtenaar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een lichter middel dan vreemdelingenbewaring kon worden volstaan. Vreemdelingenbewaring hoort een ‘ultimum remedium’ te zijn, maar wordt standaard toegepast wanneer een vreemdeling aan de grens op Schiphol een asielwens uit. Al bij het uiten van die asielwens was duidelijk dat de asielaanvraag waarschijnlijk wordt ingewilligd, omdat de vreemdeling toen al heeft genoemd dat die behoort tot de LHBTIQ+ gemeenschap en afkomstig is uit Rusland.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het grensbewakingsbelang in beginsel steeds het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel vereist, omdat een minder dwingende maatregel tot gevolg heeft dat toegang tot Nederland wordt verkregen. Hiervan wordt slechts in bijzondere gevallen afgeweken. Van een dergelijk bijzonder geval is in dit geval geen sprake. De vreemdeling heeft de mogelijkheid gehad om bijzonderheden naar voren te brengen in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. De vreemdeling heeft toen geantwoord “Dat is oké. Ik heb alles begrepen en snap het.” Niet valt in te zien waarom de ambtenaar de toets dan anders had moeten uitvoeren en tot welke uitkomst dat had moeten leiden.
De rechtbank constateert verder dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en
doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank
ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat een verzoeker op grond van artikel
artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de herziene Opvangrichtlijn
in bewaring mag worden gehouden met het oog op het nemen van een beslissing in het kader van een grensprocedure over zijn recht om het grondgebied te betreden. Verder wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 5 en 6 van de Screeningsverordening waarin,
samengevat, staat dat de lidstaten bepalingen vastleggen in hun nationale recht om ervoor te
zorgen dat personen voor de duur van de screening ter beschikking blijven van de
autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de screening om elk risico op
onderduiken te voorkomen. Uit overweging 11 en 12 van de preambule behorende bij de
Screeningsverordening volgt dat hier onder meer wordt gedoeld op detentie om onbevoegd
toetreden tot het grondgebied te voorkomen. Daarmee is het grensbewakingsbelang ook in
het (ver)nieuw(d)e Unierecht tot uitdrukking gebracht. De Europese Unie heeft het belang van effectieve bewaking van de buitengrenzen ook op andere plaatsen in de Europese
regelgeving vastgelegd. Zo is het grensbewakingsbelang benoemd in artikel 77, eerste lid,
onder b, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de preambule en
artikel 13 van de Schengengrenscode. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg
dat de vreemdeling feitelijk (onderstreping door de rechtbank) toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen
van een vrijheidsontnemende maatregel.
Dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet mocht worden opgelegd omdat de asielaanvraag overduidelijk zal worden ingewilligd volgt de rechtbank verder niet. Uit het landenbeleid voor de Russische Federatie volgt niet zonder meer dat aan elke LHBTIQ+’er een asielvergunning wordt verleend. Bovendien zal eerst moeten worden beoordeeld of geloofwaardig wordt geacht of de vreemdeling tot die groep behoort en zo ja, of de problemen die als gevolg daarvan bij terugkeer worden verwacht ook aannemelijk en zwaarwegend genoeg zijn. Dat de vreemdeling veel documenten heeft zal mogelijk helpen bij de beoordeling van de asielaanvraag, maar maakt niet dat op voorhand al vast stond dat die aanvraag tot inwilliging zou leiden. De ambtenaar hoefde ook daarom dus niet af te zien van het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.