RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46848
(gemachtigde: mr. B.A. Palm),
en
(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 16 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De minister heeft op 21 augustus 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Proceskostenvergoeding
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft aangeboden. Eiser verzoekt de rechtbank dan ook om de minister te veroordelen in de gemaakte proceskosten en verzoekt hierbij om toekenning van twee punten, één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting. Hiertoe voert eiser aan dat zijn gemachtigde, ondanks dat het beroep is ingeleid door een kennisgeving, wel handelingen heeft verricht. Eiser verwijst hierbij naar uitspraken van deze zittingsplaats van 6 juli 2026 en 16 juli 2026 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 3 juli 2026.
3. De minister stelt zich op het standpunt dat geen punt gegeven dient te worden voor het indienen van een beroep. De minister voert hiertoe aan dat hij een kennisgeving indient waarmee het initiatief voor de kennisgeving bij de minister ligt. Eiser voert dus geen handelingen uit voor het indienen van een beroep en kan daarom daarvoor geen proceskostenvergoeding krijgen. Ter onderbouwing wijst de minister op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 6 juli 2026 en, zittingsplaats Roermond, van 26 juni 2026.
4. Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring tussen 16 augustus 2026 en 21 augustus 2026 onrechtmatig was. Hiertoe heeft de minister de maatregel van vreemdelingenbewaring op 21 augustus 2026 opgeheven en in zijn brief van 21 augustus 2026 een schadevergoeding ter hoogte van € 800,- aangeboden.
5. Met betrekking tot het verzoek om een proceskostenveroordeling overweegt de rechtbank dat een kennisgeving op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw gelijk wordt gesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep. Dat een gemachtigde nu het online beroepsformulier niet meer hoeft in te vullen en in te dienen, is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te beslissen dat de hiervoor bedoelde proceskostenvergoeding komt te vervallen. De rechtbank wijst erop dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw gelijk wordt gesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep, en heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat door een gemachtigde in het geheel geen met het indienen van een kennisgeving samenhangende handelingen worden verricht.
6. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat om de minister te veroordelen tot het betalen van de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 800,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
28 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.