ECLI:NL:RBDHA:2026:25394

ECLI:NL:RBDHA:2026:25394

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.47673
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring – art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw – verwijderingsbesluit – gronden – lichter middel – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.47673

(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),

en

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 17 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Kruszynski als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit van 17 juni 2025 en daarmee geen grond bestaat voor de inbewaringstelling. Hiertoe voert eiser aan dat hij is uitgezet en vervolgens zeven á acht maanden in Polen heeft verbleven. In Polen is eiser in zijn ouderlijk huis bij zijn moeder gaan wonen en heeft hij ook gewerkt. Uit dit tijdsverloop valt volgens eiser op te maken dat hij zijn verblijf in Nederland heeft beëindigd en dus heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2025 en met name overweging 6.1.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021 volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.

6. De rechtbank stelt vast dat het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland als EU-onderdaan bij besluit van 17 juni 2025 is beëindigd en dat dit besluit op 5 september 2025 aan eiser in persoon is uitgereikt. Eiser is vervolgens op 24 november 2025 uitgezet.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 17 juni 2025. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij buiten Nederland een bestendig bestaan heeft opgebouwd en dit heeft hij op geen enkele wijze aangetoond. Het enkele tijdsverloop tussen de uitzetting van eiser op 24 november 2025 en het opnieuw aantreffen van eiser in Nederland, is onvoldoende voor het oordeel dat hij in de tussenliggende periode zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigd heeft dan wel elders een bestendig bestaan heeft opgebouwd. Eiser heeft zowel zijn gestelde verblijf in Polen, als eventuele pogingen om daar een bestendig verblijf op te bouwen, niet met documenten onderbouwd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verwijderingsbesluit van 17 juni 2025 nog geldig is, zodat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft en de minister aan hem dan ook de maatregel van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw mocht opleggen. De beroepsgrond slaagt niet.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

8. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de gronden onder 2a, 2b en 2p aan dat hij Nederland is ingereisd met een geldig identiteitsdocument nadat hij 7 á 8 maanden in Polen heeft verbleven, waarmee hij zich dus aan het verwijderingsbesluit heeft gehouden. Bij terugkeer naar Nederland had hij dus opnieuw rechtmatig verblijf, waardoor hij ook geen melding had hoeven maken van zijn verblijf. Verder voert eiser aan dat de minister ten aanzien van de gronden onder 2r en 2s onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een onderduikrisico.

10. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting de grond onder 2s heeft laten vallen.

11. De rechtbank oordeelt dat de gronden onder 2a, 2b, 2p en 2r feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Zoals in overweging 7 is vastgesteld, is niet gebleken dat eiser heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit van 17 juni 2025. Hierdoor heeft eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland en daarbij heeft hij zich zonder toestemming tussen de EU-lidstaten bewogen. Doordat is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, is hij gehouden om melding te maken van zijn onrechtmatig verblijf, hetgeen eiser niet heeft gedaan. Verder heeft eiser geen vaste woon- of verblijfplaats en staat hij niet ingeschreven in de BRP. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de gronden onder 2p en 2r voldoende gemotiveerd heeft om op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

12. Ter zitting voert eiser aan dat hij niet in bewaring gesteld hoeft te worden. Hij kan een nieuw identiteitsdocument bij de ambassade aanvragen, hij heeft een plek om te verblijven en kan werken.

13. De rechtbank vat hetgeen eiser aanvoert op als een beroep op een lichter middel en oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf bij de korpschef en dat hij niet staat ingeschreven in de BRP. Verder is in de motivering terecht overwogen dat de maatregel van vreemdelingenbewaring niet onevenredig bezwarend is gebleken voor eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

28 augustus 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand