RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48543
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 24 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Bentaieb als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling en op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico. Deze gronden voor vreemdelingenbewaring zijn aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vb zich voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden onder 2b, 2p, 2r en 2s die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2b aan dat deze grond ziet op een terugkeerbesluit en omdat eiser in de asielprocedure zit, kan geen onttrekkingsrisico worden aangenomen. Ten aanzien van de grond onder 2p voert eiser aan dat de asielprocedure is bedoeld om die identiteit van eiser te onderzoeken, waardoor het niet hebben van documenten niet relevant is. Verder voert eiser ten aanzien van de gronden onder 2r en 2s aan dat hij tijdens zijn asielprocedure recht heeft op opvang en leefgeld van het COA.
6. De rechtbank oordeelt dat alle gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Eiser is zonder geldig identiteitsdocument naar Nederland gekomen, heeft geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf en heeft geen gevolg gegeven aan de aan hem gegunde vertrektermijn die volgt uit het besluit tot intrekking van zijn EU-verblijfsrecht. Verder is gebleken dat eiser op straat verblijft, niet staat ingeschreven in de BRP, onvoldoende middelen van bestaan heeft en leeft van liefdadigheid en statiegeld. De rechtbank is ook van oordeel dat de minister de gronden onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen geldige documenten bezit, geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en onvoldoende middelen van bestaan heeft. Niet gebleken is van omstandigheden die eisers inbewaringstelling onevenredig bezwaarlijk maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.