ECLI:NL:RBDHA:2026:25397

ECLI:NL:RBDHA:2026:25397

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.48548
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring - art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – bewaringsgronden – lichter middel – voortvarendheid – non-refoulement – beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.48548

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 24 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.D. Sikorska als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2a aan dat eiser met een geldige ID-kaart naar Nederland is gereisd en eenvoudig zijn verblijfsrecht terug kan krijgen. Ten aanzien van de grond onder 2b voert eiser aan dat hij in 2025 is uitgezet en sindsdien niet in aanraking is geweest met de Nederlandse politie en justitie. Ten aanzien van de grond onder 2h voert eiser aan dat hij niet uit Nederland hoeft te vertrekken. Verder voert eiser ten aanzien van de gronden onder 2p, 2r en 2s aan dat zijn document is gestolen, hij wel degelijk een verblijfplaats heeft en financieel wordt onderhouden door zijn familie.

6. De rechtbank oordeelt dat alle gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Eiser is zonder een geldig identiteitsdocument Nederland ingereisd. Eiser stelt dat hij zijn reisdocument is verloren, maar uit het dossier blijkt niet dat hij hier een melding of aangifte van heeft gedaan. Ook is niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd danwel elders een bestendig bestaan heeft opgebouwd, waardoor het verwijderingsbesluit van 6 december 2023 nog steeds geldig is en eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Uit de omstandigheden dat eiser in Nederland wil werken en stelt een kamer in Utrecht te huren, valt niet op te maken dat eiser voornemens is om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen. Daarbij heeft eiser tot op heden geen activiteiten ondernomen om aan een nieuw identiteitsdocument te komen, staat hij niet ingeschreven in de BRP en bezit hij onvoldoende middelen van bestaan. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de grond onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Ter zitting voert eiser aan dat hij niet in bewaring gesteld hoeft te worden. Hij is bereid zich bij de politie te melden wanneer hij weer in vrijheid wordt gesteld.

8. De rechtbank vat hetgeen eiser aanvoert op als een beroep op een lichter middel en

oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een

lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Allereerst blijkt uit de gronden

van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de

rechtbank er onder meer op dat eiser niet op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, hij geen documenten heeft, niet in de BRP staat ingeschreven, onvoldoende middelen van bestaan heeft en eerder is uitgezet naar Polen maar vervolgens weer is teruggekeerd naar Nederland ondanks dat zijn verblijfsrecht is ingetrokken. Verder is niet gebleken van omstandigheden die ervoor zorgen dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onevenredig bezwarend voor eiser is gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

9. Eiser voert in het kader van voortvarend handelen aan dat alles sinds de eerste dag bekend is en vraagt zich dan ook af of er al een vlucht is geboekt.

10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 22 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring is gesteld. Op 27 augustus 2027 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin hij asiel heeft aangevraagd. Op 28 augustus 2026 is eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister op dit moment onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Ter zitting vult de minister nog aan dat op de dag van de zitting nog een bericht aan DIA zal worden verzonden voor T&O-aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Non-refoulement

11. Eiser voert ter zitting aan dat wanneer hij terugkeert naar Polen, hij opnieuw in detentie zal worden gezet omdat hij geen werk heeft en dus geen alimentatie kan betalen.

12. De rechtbank vat hetgeen eiser aanvoert op als een beroep op het beginsel van non-refoulement en overweegt dat de toets aan het beginsel van non-refoulement plaatsvindt bij de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat eiser Unieburger is. Niet gebleken is dat zich in het geval van eiser een uitzondering voordoet. Daarbij heeft eiser niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de detentie, waarin hij stelt terecht te komen bij terugkeer, onrechtmatig is of dat Polen hiermee internationale regelgeving breekt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.

Ambtshalve toetsing

13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand