ECLI:NL:RBDHA:2026:25399

ECLI:NL:RBDHA:2026:25399

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.46823
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewaring - art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – termijn verblijf politiecel overschreden – deels gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.46823

(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

(gemachtigde: K. Kanters).

Procesverloop

1. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. Eiser heeft op 18 augustus 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft op 21 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 25 augustus 2026 nadere informatie te overleggen met betrekking tot eisers overplaatsing naar het detentiecentrum. De minister heeft hier geen gebruik van gemaakt.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 27 augustus 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

2. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

Uitplaatsing naar het detentiecentrum

3. De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Eiser is op 14 augustus 2026 om 20.50 uur in bewaring gesteld en heeft het politiebureau op 17 augustus 2026 verlaten in verband met uitplaatsing naar het detentiecentrum te [plaats] . De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om nadere informatie te overleggen met betrekking tot het tijdsverloop van eisers uitplaatsing naar het detentiecentrum. De minister heeft hier geen gebruik van gemaakt. Gelet op artikel 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank, wanneer een partij niet voldoet aan de verplichting om onder meer inlichtingen te geven of stukken te overleggen, daaruit de gevolgtrekking maken die hem geraden voorkomen.

4. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een overschrijding van de termijn van 24 uur en dat deze overschrijding leidt tot een onrechtmatige aanvankelijke tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 27 januari 2025 heeft geoordeeld. Eiser heeft daarom recht op een schadeloosstelling. De rechtbank overweegt daarbij dat de overschrijding niet betekent dat de maatregel zelf onrechtmatig was. Omdat sprake is van een overschrijding van de maximale verblijfsduur en uit het dossier niet blijkt wat heeft gezorgd voor deze overschrijding, stelt de rechtbank de schadeloosstelling, naar de norm van € 40,- (verschil verblijf politiecel en verblijf detentiecentrum) per dag of gedeelte van de dag, vast op 3 x € 40,- = € 120,-.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen.

Lichter middel

7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hiertoe voert eiser aan dat uit de tegengeworpen gronden niet zonder meer volgt dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken of dat hij de voorbereidingen van zijn vertrek of verwijderingsprocedure zal belemmeren of ontwijken.

8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. Allereerst blijkt uit de gronden van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de rechtbank er onder meer op dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de aan hem gegunde vertrektermijn die volgt uit het besluit waarin zijn EU-verblijfsrecht is ingetrokken, hij geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf, niet is verschenen bij zijn meldplicht op 16 maart 2026 en geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onrechtmatig is.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat onder ‘Uitplaatsing naar het detentiecentrum’ is overwogen zal het beroep, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring, gegrond worden verklaard. Voor het overige zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor het nadeel dat eiser heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel heeft hij aanspraak op € 120,- aan schadeloosstelling. Er is geen grond voor een schadevergoeding.

11. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat om de minister te veroordelen tot het betalen van de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring, gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan eiser bij wijze van schadeloosstelling een bedrag van € 120,- te betalen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.A. Berghuis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand