RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40010
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. J.G.R Becker).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eiser zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 2022 in Nederland en heeft al meerdere procedures doorlopen.
3. Op 18 februari 2022 heeft hij een asielaanvraag ingediend, welke door de minister is afgewezen bij besluit van 10 september 2024 en een aanvullend besluit van 2 december 2024 waarin ambtshalve het gezinsleven dat eiser stelde te hebben met mevrouw [referente] is beoordeeld. Zij heeft de Nederlandse nationaliteit. Het beroep dat eiser hiertegen heeft ingesteld is door de rechtbank afgewezen als ongegrond. Het hoger beroep is eveneens ongegrond verklaard.
4. Daarnaast heeft eiser op 24 april 2023 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ bij mevrouw [referente] . Deze aanvraag is door de minister op 3 juli 2023 afgewezen, waarna het beroep is afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft vervolgens het beroep dat eiser hiertegen heeft ingediend ongegrond verklaard.
5. Onderhavige procedure gaat over de aanvraag die eiser heeft ingediend op 8 oktober 2024 voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Eiser beoogt opnieuw verblijf bij mevrouw [referente] . Zij is referente in deze procedure.
6. De aanvraag van 8 oktober 2024 is bij het primaire besluit van 15 januari 2025 afgewezen, omdat eiser ten opzichte van zijn vorige procedures geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een andere beslissing kunnen leiden. De minister verwijst hiervoor naar het besluit van 3 juli 2023 en het aanvullende besluit van 2 december 2024.
7. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft hij zijn standpunt gehandhaafd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen onder verwijzing naar de eerdere procedures. Eiser heeft verder geen geldige machtiging voor voorlopig verblijf (mvv) en niet is gebleken dat hij voldoet aan vrijstelling daarvoor. De minister stelt ook dat er geen aanleiding is om af te zien van beleidsregels wegens bijzondere omstandigheden. Omdat het bezwaar kennelijk ongegrond is, heeft de minister ervan afgezien om eiser te horen.
8. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
9. De rechtbank heeft het beroep, samen met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.42525) op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, A. Hairan als tolk en de gemachtigde van de minister.
10. Het beroep is op de zitting aangehouden vanwege de indiening van twee arrestatiebevelen door eiser in zijn aanvullende gronden van 25 februari 2026. De minister is in de gelegenheid gesteld hier schriftelijk op te reageren, waarna eiser de mogelijkheid kreeg om daarop schriftelijk te reageren. In deze schriftelijke reacties voegde eiser nog twee producties toe, waarop de rechtbank de minister nogmaals in de gelegenheid heeft gesteld om schriftelijk te reageren. Na ontvangst van deze reactie zijn partijen per brief van 22 april 2026 gevraagd of zij nog mondeling willen worden gehoord. Omdat beide partijen niet hebben gereageerd, heeft de rechtbank afgezien van een nadere zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Nieuwe feiten en omstandigheden
11. Eiser voert aan dat het niet juist is dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Eiser is op [datum geregistreerd partnerschap] 2024 een geregistreerd partnerschap aangegaan met referente, wat volgens hem een nieuwe relevante nieuwe omstandigheid is die zich pas ná de eerdere procedures heeft voorgedaan. Ter onderbouwing van de relatie heeft eiser een aantal foto’s en een bewijs van inschrijving op hetzelfde adres met referente overgelegd.
De rechtbank kan het betoog van eiser niet volgen. In het besluit van 2 juli 2023 in de procedure van de eerdere reguliere aanvraag heeft de minister in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het EVRM) geen gezinsleven tussen eiser en referente aangenomen en een belangenafweging gemaakt. In het aanvullende besluit van 2 december 2024 in de asielprocedure heeft de minister wel familieleven aangenomen vanwege het geregistreerde partnerschap dat eiser met referente is aangegaan. Vervolgens heeft de minister opnieuw een belangenafweging gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn ten opzichte van de eerdere procedures. De overgelegde foto’s en het bewijs van inschrijving op hetzelfde adres als referente maken dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
12. Eiser voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft erkend dat sprake is van familieleven vanwege het geregistreerd partnerschap tussen eiser en referente, maar hij heeft over het hoofd ziet dat referente in dit geval verplicht is om samen met eiser de Europese Unie (EU) te verlaten. Dit kan van referentie niet worden gevergd, omdat zij een Unieburger is en haar hele leven in Nederland heeft gewoond. In het kader van de belangenafweging voert eiser verder aan dat hij niet in staat is om Nederland samen met referente te verlaten, nu zijn paspoort in beslag is genomen. Bovendien is er geen rekening gehouden met referente en haar binding met Nederland en de mogelijkheid om gezinsleven elders uit te oefenen. Eiser heeft ook zijn aangifte inkomstenbelasting over 2024, aangifte omzetbelasting en bankafschriften overgelegd om te onderbouwen dat hij bijdraagt aan de Nederlandse economie.
De rechtbank overweegt dat het Hof in het K.A. arrest 8 mei 2018 de mogelijkheid heeft opengelaten dat een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU ontstaat in de situatie waarin een meerderjarige derdelander afhankelijk is van de meerderjarige Unieburger. Eiser heeft niet aangetoond dat hij en referente zodanig afhankelijk van elkaar zijn dat referente zal worden gedwongen om het grondgebied van de EU te verlaten als eiser terug moet keren naar Pakistan. De enkele stelling dat sprake is van een geregistreerd partnerschap is daarvoor onvoldoende.
De rechtbank overweegt verder dat de minister in het aanvullende besluit van 2 december 2024 in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen dat sprake is van gezinsleven, maar dat de belangenafweging nadelig voor eiser uitvalt omdat hij het geregistreerd partnerschap is aangegaan zonder dat er enige indicatie was dat hij in Nederland rechtmatig zou kunnen verblijven. Daarnaast is zijn asielaanvraag afgewezen, waardoor er geen objectieve belemmering voor hem bestaat om in Pakistan gezinsleven uit te oefenen. De minister heeft ook overwogen dat dit voor referente geldt. Ten aanzien van het inkomen en de bijdrage van eiser aan het gezin heeft de minister in het besluit van 2 juli 2023 overwogen dat dit in zijn voordeel spreekt, maar onvoldoende weegt tegen het economische belang van de Nederlandse staat. Daarbij is van belang dat eiser gezinsleven is gaan uitoefenen, terwijl hij nog geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Ter zitting heeft de minister er verder nog op gewezen dat eiser slechts enige tijd in Nederland heeft verbleven en veel sterkere banden heeft met Pakistan. Eiser heeft niet aangetoond dat de belangenafweging die de minister in de eerdere procedures heeft verricht onvolledig of onjuist is. Daarom kan de rechtbank zijn standpunt dat de minister niet heeft gekeken naar de mogelijkheden voor gezinsleven buiten Nederland niet volgen; de minister heeft dit juist wel gedaan, zoals blijkt uit het besluit van 2 december 2024.
Ten slotte overweegt de rechtbank over het paspoort van eiser dat in artikel 52, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) staat dat een reis- of identiteitspapier aan een vreemdeling wordt teruggegeven als de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hij ook daadwerkelijk vertrekt. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser niet zal gebeuren.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake van schending van artikel 8 van het EVRM dan wel dat de belangenafweging op grond van dat artikel in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het EVRM
13. Eiser voert aan dat hij in Pakistan ernstig gevaar loopt. De minister miskent het toetsingskader van artikel 3 van het EVRM door zich enkel op het standpunt te stellen dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het is een absoluut recht wat te allen tijde moet worden getoetst, de minister kan niet louter verwijzen naar eerdere afwijzingen.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
Eiser heeft in 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Aan zijn asielrelaas heeft hij ten grondslag gelegd dat hij en zijn familie veel problemen hebben ondervonden met dorpelingen, vanwege de verkoop van een perceel dat zijn vader aan hem heeft geschonken. In rechte staat vast dat dit asielrelaas ongeloofwaardig is. Eiser heeft in zijn aanvullende gronden van 25 februari 2026 foto’s/screenshots van twee onderzoeksrapporten/arrestatiebevelen overgelegd om zijn vrees te onderbouwen. Ook heeft hij op 25 maart 2026 screenshots van een verklaring van zijn vader en van een vriend overgelegd. Volgens eiser toont de verklaring van zijn vader aan dat hij door zijn familie is verstoten en bij terugkeer geen sociaal vangnet heeft. Uit de verklaring van zijn vriend volgt volgens eiser dat hij in Pakistan door de politie wordt gezocht en het voorzienbaar is dat hij bij terugkeer zal worden gearresteerd.
Ten aanzien van de twee onderzoeksrapporten/arrestatiebevelen, overweegt de rechtbank als volgt. Het eerste arrestatiebevel gaat over een incident dat zou hebben plaatsgevonden op 9 mei 2024, waarbij eiser met twee onbekende mannen de politie zouden hebben aangevallen en vernielingen zouden hebben verricht. Eiser heeft op 18 februari 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Gelet daarop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de inhoud van dit document daarom niet juist kan zijn. Het tweede arrestatiebevel gaat over een incident dat heeft plaatsgevonden op 12 maart 2025, waarbij eiser met twee onbekende mannen op de politie zou hebben geschoten en de politie zou hebben bedreigd. Ook hiervoor geldt dat eiser op dat moment in Nederland was, waardoor de inhoud van dit document niet juist kan zijn. Dat eiser in zijn schriftelijke reactie van 25 maart 2026 aanvoert dat het correct is dat de arrestatiebevelen zijn uitgevaardigd op het moment dat eiser niet in Pakistan verbleef maar dat dat niet betekent dat er geen risico bestaat omdat in Pakistan het vaker gebeurd dat arrestatiebevelen worden gefingeerd, leidt niet tot een ander oordeel. De minister stelt in zijn verweer van 8 april 2026 immers terecht dat eiser zich met deze stelling tegenspreekt. Volgens zijn asielrelaas zouden de incidenten namelijk niet gefingeerd zijn.
Ten aanzien van de screenshots van de ongedateerde verklaring/akte van verstoting van de vader van eiser overweegt de rechtbank dat daaruit volgt dat eiser door zijn vader is verstoten van alle roerende en onroerende zaken. De minister heeft in zijn verweer van 8 april 2026 mogen stellen dat dit niets asielgerelateerds bevat, maar betrekking heeft op (civielrechtelijke) aansprakelijkheid en eigendom. Ook ten aanzien van de verklaring van de vriend van eiser mocht de minister zich op het standpunt stellen dat dit geen objectieve bron is en dat het in die verklaring vermelde politiebezoek – dat op 9 maart 2025 zou hebben plaatsgevonden - niet verifieerbaar is. De verklaring vermeldt dat de vriend van eiser op 9 maart 2025 zag dat politiemensen naar huis van eiser gingen om hem mee te nemen. Er is echter niet onderbouwd dat het daadwerkelijk om een politiebezoek ging, noch wat de aanleiding of bedoeling daarvoor was, waardoor de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaring slechts een vermoeden betreft.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het verzendbewijs dat eiser op 16 april 2026 in het dossier heeft geüpload, waaruit blijkt dat originele stukken naar de minister zijn verstuurd. Daaruit kan de rechtbank echter niet afleiden om welke stukken het gaat. Bovendien heeft de minister alle overgelegde stukken inhoudelijk beoordeeld, ondanks dat het geen originele exemplaren betreft.
De voorgaande overwegingen brengen met zich mee dat de minister naar het oordeel van de rechtbank een geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft gemaakt en zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen feiten en omstandigheden zijn die erop wijzen dat eiser bij terugkeer een refoulementrisico loopt. De beroepsgrond slaagt niet.
Horen
14. Eiser voert aan dat de minister in strijd met de hoorplicht heeft gehandeld door hem in bezwaar niet te horen.
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen en geoordeeld, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar van eiser niet tot een andersluidende conclusie konden leiden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de minister eiser niet heeft hoeven horen. De minister heeft dan ook niet in strijd met de hoorplicht gehandeld.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn aanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 augustus 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.