Rechtbank den haag
Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707981 / KG ZA 26-723
Vonnis in kort geding van 4 september 2026
in de zaak van
KPMG ADVISORY N.V. te Amstelveen,
eiseres,
advocaten: mrs. T. Raats en A.M.M. van Houts,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Economische Zaken en Klimaat) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten: mrs. N.A.D. Groot en A. Kul,
waarin is tussengekomen:
GREENBERG TRAURIG LLP te Amsterdam,
advocaten: mrs. P.F.C. Heemskerk en L.M. Engels.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘KPMG’, ‘de Staat’ en ‘Greenberg Traurig’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 juni 2026 met producties 1 tot en met 4;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair tot voeging van Greenberg Traurig met producties 1 en 2;
- de conclusie van antwoord van de Staat met productie 1;
- de akte overlegging productie van KPMG met productie 5;
- de door KPMG, de Staat en Greenberg Traurig overgelegde pleitnotities.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.
2. Het incident tot tussenkomst, subsidiair tot voeging
Greenberg Traurig heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen KPMG en de Staat dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Ter zitting hebben KPMG en de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. Greenberg Traurig is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen. Aan de subsidiaire vordering tot voeging wordt derhalve niet toegekomen.
3. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Op 19 februari 2026 heeft de Staat de aanbesteding ‘Juridische dienstverlening leveranciers van cloud en IT-diensten ten behoeve van het ministerie van Justitie en Veiligheid’ gepubliceerd. Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing.
In het Beschrijvend document van 19 februari 2026 met bijlagen (hierna: het Beschrijvend document) is opgenomen dat de aanbesteding wordt uitgevoerd ten behoeve van de directie Informatievoorziening en Inkoop (hierna: DI&I), een onderdeel van het bestuursdepartement van het ministerie van Justitie en Veiligheid. Binnen DI&I is de uitvoering van Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft, Google Cloud en AVVS Rijk (hierna: SLM) belegd. Tot de werkzaamheden van SLM behoren onder meer het beheren en onderhouden van de rijksbrede overeenkomsten met een aantal grote leveranciers van cloud- en IT-diensten zoals Microsoft, Google Cloud en Amazon Web Services, ook wel hyperscalers genoemd.
Het doel van de aanbesteding is het sluiten van een raamovereenkomst voor de opdracht met één inschrijver. Ten aanzien van de achtergrond van de aanbesteding vermeldt het Beschrijvend document onder meer:
“Behoefte
SLM heeft behoefte aan juridische ondersteuning bij het contracteren, het omgaan met juridische (compliance) vraagstukken en aanverwante werkzaamheden.
SLM zorgt ook voor vraagbundeling van de verschillende ministeries en andere partijen binnen het Rijk op het moment dat zich commerciële onderhandelingen aandienen. Op basis van de gebundelde vraag wordt met Hyperscalers onderhandeld over commerciële voorwaarden. Deelnemers aan deze gebundelde onderhandelingen schaffen producten en diensten van de Hyperscalers vervolgens aan via de daarvoor per deelnemer beschikbare kanalen. Dit zijn voornamelijk resellers die als resultaat van Europese aanbestedingen geselecteerd zijn. Zowel bij de onderhandelingen met Hyperscalers over de commerciële voorwaarden, als bij de vertaling en toepassing daarvan door resellers kan behoefte aan juridische ondersteuning ontstaan.
Ten aanzien van de scope van de opdracht vermeldt het Beschrijvend document:
“1.7 Scope en omvang van de Opdracht
De scope van de Opdracht betreft het bieden van juridische en aanvullende juridische dienstverlening aan SLM inzake de contractering en contractwijzigingen van Microsoft, Google Cloud en AWS. Naast de grote Amerikaanse Hyperscalers richt SLM zich de laatste jaren ook op Europese aanbieders van Cloud- en IT-diensten zoals STACKIT, OVH Cloud en ESET. De verwachting is dat er meer Europese partijen zullen volgen, het is nog niet bekend welke dit zijn.
Microsoft
Het één of meerdere keren per jaar, op verzoek van Opdrachtgever, adviseren over en opstellen van concept-amendementen, onderhandelen over en contracteren van deze amendementen inzake het centraal juridisch kader, o.a. naar aanleiding van auditbevindingen, resultaten van technische verificatieonderzoeken, de resultaten van audits en wijzigingen in nationale, Europese en/of andere relevante wet- en regelgeving.
Google Cloud
Het één of meerdere keren per jaar, op verzoek van Opdrachtgever, adviseren over en opstellen van concept-amendementen, onderhandelen over en contracteren van deze amendementen inzake het centraal juridisch kader o.a. naar aanleiding van auditbevindingen, resultaten van technische verificatieonderzoeken, de resultaten van audits en wijzigingen in nationale, Europese en/of andere relevante wet- en regelgeving.
Amazon Web Services
Het één of meerdere keren per jaar, op verzoek van Opdrachtgever, adviseren over en opstellen van amendementen, onderhandelen over en contracteren van deze amendementen inzake het centraal juridisch kader o.a. naar aanleiding van auditbevindingen, resultaten van technische verificatieonderzoeken, de resultaten van audits en wijzigingen in nationale, Europese en/of andere relevante wet- en regelgeving.
Europese partijen:
Het adviseren over en opstellen van een concept rijksbrede overeenkomst. Het één of meerdere keren per jaar, op verzoek van Opdrachtgever, adviseren over en opstellen van concept-amendementen, onderhandelen over en contracteren van deze amendementen inzake het centraal juridisch kader o.a. naar aanleiding van auditbevindingen, resultaten van technische verificatieonderzoeken en wijzigingen in nationale, Europese en/of andere relevante wet- en regelgeving.
Aanvullende juridische dienstverlening
De aanvullende juridische dienstverlening wordt op ad-hoc basis afgenomen en is sterk afhankelijk van interne en externe ontwikkelingen en kan daardoor divers zijn. Te denken valt aan een presentatie van een adviesrapport aan een groot publiek van de Rijksoverheid of adviezen aan SLM in een bespreking en uitwerking van risicomitigerende maatregelen op Hyperscalers. Dit laatste kan onder meer bestaan uit deelname aan interne en externe overleggen c.q. onderhandelingen, het opstellen van conceptbrieven naar Hyperscalers, het beoordelen van verbeterplannen en het uitwerken van adviesrapporten met betrekking tot de uitwerking van maatregelen. Bedoelde overleggen c.q. onderhandelingen met Hyperscalers kunnen, indien opportuun, in de Engelse taal zijn en ook op locatie van partijen in het buitenland plaatsvinden.
Andere voorbeelden van aanvullende juridische dienstverlening zijn een analyse op de Cloud Act, soevereiniteitsonderzoek of andere relevante ontwikkelingen in ICT met juridische impact op het gebruik van producten en diensten van Hyperscalers. Bovenstaande voorbeelden betreffen een niet-limitatieve opsomming.”
Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De kwaliteitsbeoordeling bestaat uit de beoordeling van een door de inschrijver op te stellen plan van aanpak waarin de inschrijver uiteenzet op welke wijze zij de centrale onderhandelingen met CloudNova SE (een fictief bedrijf) zou voeren. Het Beschrijvend document vermeldt hierover, voor zover relevant:
“De Aanbestedende dienst verzoekt de Inschrijver een plan van aanpak op te stellen waarin
Inschrijver uiteenzet op welke wijze zij de centrale onderhandelingen met CloudNova SE zou voeren, met als doel in opdracht van SLM te komen tot een rijksbrede overeenkomst (voor de Nederlandse Rijksoverheid).
Met deze casus beoogt de Aanbestedende dienst inzicht te verkrijgen in de werkwijze, methodiek en strategische afwegingen van de Inschrijver bij het voeren van centrale onderhandelingen. Daarbij wordt in het bijzonder aandacht gevraagd voor de wijze waarop de Inschrijver rekening houdt met de actuele Europese context, waaronder begrepen Europese wet- en regelgeving, governance-structuren, marktverhoudingen en publieke belangen, alsmede de specifieke randvoorwaarden die gelden binnen de Rijksoverheid.
[…]
Onderhandelingsdoel Rijksbrede Overeenkomst
Hieronder staan het doel en de strategische uitgangspunten voor het realiseren van een
Rijksbrede raamovereenkomst met CloudNova SE, conform de beleidskaders van de
Rijksoverheid en Europese regelgeving.
Strategische Uitgangspunten
Data-soevereiniteit en compliance
Alle diensten moeten voldoen aan AVG, de EU Data Act en rijksbrede beveiligingsstandaarden.
Uniformiteit
Eén overeenkomst die toepasbaar is voor alle departementen en uitvoeringsorganisaties.
Risicobeheersing
Contractuele bepalingen voor continuïteit, exit-strategieën en mitigatie van juridische risico’s.
Relatiebeheer
Gebruikmaken van bestaande contacten en inzichten uit de DPIA om wederzijds vertrouwen en transparantie te versterken.”
Aan de Staat is gevraagd of de casus moet worden uitgewerkt voor de situatie waarin reeds een overeenkomst is aanbesteed en de huidige onderhandelingen zien op onderhandelingen met een reseller onder die (raam-)overeenkomst, of voor de situatie waarin rechtstreeks met CloudNova onderhandeld moet worden over een geheel nieuwe rijksbrede overeenkomst. Daarop heeft de Staat in de nota van inlichtingen onder meer het volgende geantwoord.
“[…] Uit al deze teksten moet worden opgemaakt dat het in de casus gaat om onderhandelingen met CloudNova SE als zijnde een Europese aanbieder van clouddiensten om te komen tot een rijksbrede overeenkomst en niet om onderhandelingen met een reseller onder een reeds aanbestede (raam)overeenkomst.”
Voor het plan van aanpak kunnen maximaal 700 punten worden behaald. Daarnaast moet een mondelinge presentatie over het plan van aanpak worden gegeven, waarvoor maximaal 300 punten kunnen worden behaald.
Op pagina 36 van het Beschrijvend document is de hiernavolgende beoordelingstabel opgenomen voor het plan van aanpak.
Op pagina’s 37 en 38 van het Beschrijvend document is de hiernavolgende beoordelingstabel opgenomen voor de mondelinge presentatie.
Voor zowel het plan van aanpak als de mondelinge presentatie moet een minimale totaalscore van 60% worden behaald. Inschrijvingen die hieraan niet hebben voldaan, worden niet in de verdere beoordeling betrokken en kunnen niet in aanmerking komen voor gunning.
In het Beschrijvend document is voorts opgenomen dat inschrijvers over twee kerncompetenties moeten beschikken, samengevat: (i) ervaring met het opstellen, onderhandelen over en afsluiten van minimaal één contract met een hyperscaler of IT-leverancier, en (ii) kennis en expertise op het gebied van AVG voor dergelijke overeenkomsten.
Bij brief van 18 juni 2026 heeft de Staat de voorlopige gunningsbeslissing bekendgemaakt. In deze gunningsbeslissing is opgenomen dat de Staat de opdracht aan Greenberg Traurig wil gunnen en dat KPMG voor zowel het plan van aanpak als de mondelinge presentatie een ‘matig’ heeft behaald, een ‘knock-out’ die leidt tot uitsluiting van de inschrijving van KPMG. Hierdoor is de inschrijving van KPMG niet meer beoordeeld op het subgunningscriterium prijs. Greenberg Traurig heeft in totaal 800 punten (voor beide onderdelen een score van 80%) behaald. Aan de gunningsbeslissing is een bijlage gehecht met de motivering van de door KPMG behaalde scores.
4. Het geschil
KPMG vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
de Staat gebiedt uiterlijk 48 uur na het vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, de voorlopige gunningsbeslissing van 18 juni 2026 in te trekken en de Staat verbiedt daar uitvoering aan te geven;
de Staat gebiedt uiterlijk 48 uur na het vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn de aanbestedingsprocedure te stoppen en dit aan de inschrijvers te communiceren;
de Staat gebiedt om, als zij de opdracht nog steeds wenst te gunnen, dat alleen te doen door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure;
Subsidiair
de Staat gebiedt uiterlijk 48 uur na het vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, de voorlopige gunningsbeslissing van 18 juni 2026 in te trekken en de Staat verbiedt daar uitvoering aan te geven;
de Staat gebiedt om een herbeoordeling van de inschrijvingen te laten uitvoeren door personen die niet eerder betrokken zijn geweest bij de beoordeling van de inschrijvingen op de aanbesteding, conform het vonnis van de voorzieningenrechter;
de Staat gebiedt uiterlijk twintig kalenderdagen na het vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, inschrijvers uit te nodigen voor een mondelinge presentatie voor de personen die de herbeoordeling uitvoeren;
de Staat gebiedt uiterlijk dertig kalenderdagen nadat de laatste mondelinge presentatie heeft plaatsgevonden, althans binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, een nieuwe gunningsbeslissing te nemen met een opschortende en bezwaartermijn van ten minste tien kalenderdagen binnen welke termijn alle inschrijvers van de aanbestedingsprocedure de gelegenheid krijgen om, al dan niet middels een kort geding, bezwaar te maken tegen de nieuwe gunningsbeslissing;
Meer subsidiair
één of meerdere (andere) maatregelen te gelasten die de voorzieningenrechter passend acht en die recht doet, respectievelijk doen, aan de belangen van KPMG;
In alle gevallen
de Staat veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de achtste dag na het vonnis als deze kosten niet uiterlijk veertien dagen na het vonnis zijn voldaan;
de Staat hoofdelijk veroordeelt aan KPMG de nakosten te voldoen, zijnde een bedrag van € 157 zonder betekening of € 246 in geval van betekening van het vonnis, met bepaling dat, als deze kosten niet uiterlijk zeven kalenderdagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag na het vonnis de wettelijke rente is verschuldigd.
Daartoe voert KPMG – samengevat – het volgende aan. De Staat heeft de inschrijvingen beoordeeld op basis van uitgangspunten die niet volgen uit de aanbestedingsstukken en daarmee strijdig zijn. De Staat heeft daardoor in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel gehandeld. De Staat verwijt KPMG ten onrechte dat zij in het plan van aanpak heeft gekozen voor een aanbestedingsprocedure. Daarmee wijkt de Staat af van het voorschrift dat het plan van aanpak moest voldoen aan geldende wet- en regelgeving. De Staat wijkt daarnaast af van het aangekondigde kader door informatie in de beoordeling te betrekken die niet aan de inschrijvers bekend is gemaakt. Tot slot wijkt de beoordelingsmethodiek van de Staat af van de aangekondigde methodiek.
De Staat en Greenberg Traurig voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Greenberg Traurig vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
KPMG niet-ontvankelijk verklaart in haar vorderingen, althans de vorderingen van KPMG afwijst;
de Staat gebiedt de opdracht definitief aan Greenberg Traurig te gunnen;
KPMG in de proceskosten veroordeelt, waaronder begrepen de nakosten met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na het vonnis aan Greenberg Traurig moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan KPMG zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente zal zijn verschuldigd.
Verkort weergegeven stelt Greenberg Traurig daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van KPMG, nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.
Voor zover nodig zullen de standpunten van KPMG en de Staat met betrekking tot de vorderingen van Greenberg Traurig hierna worden besproken.
5. De beoordeling van het geschil
Tussen partijen is in geschil of aan de aanbestedingsprocedure gebreken kleven die ertoe moeten leiden dat de (voorlopige) gunningsbeslissing moet worden ingetrokken. Volgens KPMG bestaat hiertoe aanleiding omdat de Staat de inschrijvingen heeft beoordeeld op basis van uitgangspunten die niet volgen uit de aanbestedingsstukken, waardoor in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel is gehandeld. KPMG voert in dat verband drie bezwaren aan, namelijk dat de Staat (i) de aanbestedingsrechtelijke context van de casus heeft miskend, (ii) informatie in de beoordeling heeft betrokken die niet vooraf aan de inschrijvers bekend is gemaakt, en (iii) is afgeweken van het aangekondigde beoordelingskader. Volgens KPMG zou dat ertoe moeten leiden dat de inschrijvingen (subsidiair) integraal herbeoordeeld worden door personen die niet bij de beoordeling van de inschrijvingen betrokken zijn geweest. Hierna licht de voorzieningenrechter toe waarom de vorderingen van KPMG worden afgewezen.
Juridisch kader
Naar vaste jurisprudentie brengen de toepasselijke beginselen van transparantie en gelijkheid mee dat het er bij de uitleg van de aanbestedingsstukken om gaat hoe een behoorlijk geïnformeerd en normaal oplettende gegadigde een criterium heeft kunnen begrijpen. Hierbij moet worden uitgegaan van de zogenoemde ‘cao-norm’. De bewoordingen van het criterium – gelezen in het licht van de gehele tekst van de overige (relevante) aanbestedingsstukken – zijn van doorslaggevende betekenis, waarbij het aankomt op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn opgesteld. Daarnaast volgt uit deze beginselen dat geen informatie in de beoordeling van de inschrijving mag worden betrokken die niet vooraf aan (potentiële) inschrijvers bekend is gemaakt.
Voor wat betreft de toetsing van de kwalitatieve gunningscriteria geldt als uitgangspunt dat de voorzieningenrechter slechts een beperkte beoordelingsvrijheid heeft. De voorzieningenrechter moet in beginsel uitgaan van de deskundigheid van de beoordelingscommissie. Aan deze beoordelingscommissie moet de nodige vrijheid worden gegund, mede omdat de rechter niet beschikt over specifieke deskundigheid die nodig is voor een goede beoordeling van inhoudelijke aspecten binnen het onderwerp van de opdracht. Slechts wanneer sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden/onduidelijkheden, die meebrengen dat de gunningsbeslissing evident niet overtuigt, is plaats voor ingrijpen door de rechter.
(i) De aanbestedingsrechtelijke context
KPMG verwijt de Staat met name dat de aanbestedingsstukken onduidelijk zijn, althans dat zij daaruit heeft moeten opmaken dat in het plan van aanpak voor de casus rekening gehouden moest worden met het optuigen van een aanbestedingstraject. KPMG heeft in dit verband gewezen op verschillende passages uit het Beschrijvend document. Daarin is onder meer opgenomen dat SLM zich ‘naast de aanschaf […] van producten en diensten bezig houdt met […]’. Verder vermeldt het Beschrijvend document op verschillende plaatsen dat SLM zich bezig houdt met contracteren en dat SLM behoefte heeft aan juridische ondersteuning bij het contracteren. Ook in de casusomschrijving is opgenomen dat het doel is om tot een rijksbrede overeenkomst te komen, die is bedoeld voor de inkoop van diensten, en dat rekening moet worden gehouden met de actuele Europese context, waaronder begrepen Europese wet- en regelgeving. Volgens KPMG moest een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver uit dit alles opmaken dat de casus betrekking had op een aanbestedingsplichtige opdracht waarbij diensten worden ingekocht. De Staat heeft daarom volgens KPMG ten onrechte geoordeeld dat het plan van aanpak van KPMG, waarin voor een ‘European competitive procedure with negotiation met selectie van meerdere partijen’ (oftewel: een aanbesteding) is gekozen, niet passend is bij de opdracht zoals deze door de Staat is geschetst.
De voorzieningenrechter is met de Staat en Greenberg Traurig van oordeel dat de aanbestedingsstukken ondubbelzinnig en niet onduidelijk zijn. Hoewel in het Beschrijvend document meermaals en in verschillende bewoordingen is vermeld dat ‘een overeenkomst’ moet worden gesloten met hyperscalers (en in de voorbeeldcasus met CloudNova), volgt hieruit niet dat sprake is van een aanbestedingsplichtige opdracht. Dat KPMG de aanbestedingsstukken anders heeft geïnterpreteerd, althans op basis van de aanbestedingsstukken heeft gemeend dat het opzetten van een aanbestedingstraject nodig was, betekent niet dat de aanbestedingsstukken naar objectieve maatstaven voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Het doel van de opdracht is namelijk om te onderhandelen over het centraal juridisch kader en een rijksbrede (raam)overeenkomst te sluiten, die door verschillende overheidsorganisaties kan worden gebruikt om vervolgens – op basis van die raamovereenkomst de betreffende diensten zelf in te kopen. Het gaat dus feitelijk om het (uit-)onderhandelen van de voorwaarden waaronder de diensten vervolgens door de verschillende overheidsorganisaties zelf bij resellers, via aanbesteding, worden ingekocht, en niet om het inkopen van diensten en het afsluiten van een contract daarvoor. De Staat heeft dit, voor zover de inhoud van de opdracht voor KPMG onvoldoende duidelijk was, nog expliciet toegelicht door in de nota van inlichtingen te antwoorden dat het doel is ‘om te komen tot een rijksbrede overeenkomst en niet om onderhandelingen met een reseller onder een reeds aanbestede (raam)overeenkomst.’ Daarnaast vermeldt het Beschrijvend document op pagina 9 expliciet dat met hyperscalers wordt onderhandeld over commerciële voorwaarden, waarna de overheidsorganisaties vervolgens zelf de producten en diensten van de hyperscalers inkopen. Gelet hierop, en op hetgeen onder de scope en omvang van de opdracht is vermeld, heeft een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kunnen opmaken dat de opdracht dan wel de casus betrekking had op een aanbestedingsplichtige opdracht.
(ii) (Niet-)kenbare informatie
KPMG verwijt de Staat ten tweede dat zij de inschrijvingen heeft beoordeeld aan de hand van niet-kenbare informatie die voor de zittende leverancier wel bekend was, waardoor sprake is van een informatievoorsprong. In dit verband is de beoordeling van het door KPMG gesignaleerde risico ten aanzien van het SLM-mandaat volgens KPMG onjuist, omdat zij op basis van de aanbestedingsstukken niet kon weten dat SLM over het juiste mandaat beschikte. Deze informatie is volgens KPMG niet opgenomen in de aanbestedingsstukken, terwijl inschrijvers uitsluitend mogen afgaan op informatie die in de aanbestedingsstukken is opgenomen en de Staat de inschrijvingen ook uitsluitend aan de hand van die informatie mag beoordelen.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat de inschrijvingen niet beoordeeld aan de hand van vooraf niet-kenbare informatie en is van een informatievoorsprong voor de zittende leverancier geen sprake. Uit de informatie die onder nummers 1.4 tot en met 1.7 van het Beschrijvend document is opgenomen, volgt genoegzaam dat het uitvoeren van centrale onderhandelingen en sluiten van een rijksbrede overeenkomst met hyperscalers tot de kerntaak van SLM behoort. Een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver had niet aan het mandaat van SLM hoeven te twijfelen. Ook is het in dit licht niet onbegrijpelijk dat de Staat KPMG niet kan volgen in het standpunt dat een risico bestaat dat derden het mandaat van SLM mogelijk ter discussie zullen stellen.
(iii) De beoordelingsmethodiek
Uit de op pagina 36 van het Beschrijvend document opgenomen beoordelingstabel volgt dat een plan van aanpak als ‘matig’ wordt beoordeeld indien ‘uit de beschrijving volgt dat de (bij het subgunningcriterium geformuleerde) doelstelling van de Opdrachtgever niet wordt gehaald, én/of de beschrijving in onvoldoende mate volledig, en/of concreet en/of realistisch is.’ Volgens KPMG is de Staat bij de beoordeling van haar plan van aanpak van dit kader afgeweken. De Staat verwijt KPMG dat de gekozen procedure leidt tot procescomplexiteit, langere doorlooptijden en hogere kosten, maar dat betekent volgens KPMG niet dat de doelstelling niet wordt behaald. Daarnaast heeft KPMG aangevoerd dat zij met haar plan van aanpak toegevoegde waarde heeft geboden. Volgens KPMG had dit op grond van het beoordelingskader beloond moeten worden met extra punten, maar dat is ten onrechte niet gebeurd.
Uit de beoordeling van het plan van aanpak van KPMG volgt dat de Staat het plan van aanpak op meerdere punten onvoldoende volledig, concreet en realistisch heeft geacht. De Staat meldt dat het optuigen van een aanbestedingstraject niet passend is bij de opdracht zoals die door SLM is geschetst, op gespannen voet staat met het doel van de opdracht en tot onnodige procescomplexiteit, langere doorlooptijden en hogere kosten leidt. Daarnaast heeft de Staat te kennen gegeven dat bij dergelijke complexe trajecten vertraging in de onderhandelingen een inherent en reëel risico is, maar dat een expliciete en gedegen aanpak om dit risico te beheersen ontbreekt. Ook is de onderhandelingsstrategie onvoldoende concreet en uitgediept volgens de Staat. Zo is bijvoorbeeld niet duidelijk of de onderhandelingen fysiek, digitaal of hybride plaatsvinden, en welke implicaties dat heeft voor de dynamiek en effectiviteit van het proces. Tot slot ontbreekt blijkens de beoordeling inzicht in de beoogde opzet van het onderhandelingstraject, de opbouw van de gesprekken en de wijze waarop voortgang en besluitvorming worden gestructureerd. Ook aspecten als de beoogde onderhandelingssfeer en de omgang met eventuele impasses niet uitgewerkt, waardoor onvoldoende beeld ontstaat van de daadwerkelijke strategie aan tafel. Alles bij elkaar genomen had de strategie volgens de Staat meer detail en inhoudelijke uitwerking moeten bevatten om inzicht en vertrouwen te geven in de praktische uitvoerbaarheid en de sturing van het onderhandelingsproces. Hiermee heeft de Staat toegelicht dat hij het plan van aanpak van KPMG onvoldoende volledig, concreet en realistisch acht, zodat niet is afgeweken van het beoordelingskader en naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake is van een onbegrijpelijke beoordeling, dan wel procedurele of inhoudelijke onjuistheden, die meebrengen dat de gunningsbeslissing evident niet overtuigt. Ook volgt uit de toelichting op de beoordeling dat de Staat een aantal onderwerpen, met name de voorgestelde structuur van het onderhandelingstraject, negatief heeft beoordeeld, terwijl KPMG die punten juist als meerwaarde ziet. Deze beoordelingsvrijheid komt de Staat toe, zodat ook dit aan het voorgaande geen afbreuk doet.
Tussenconclusie
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet in strijd met het transparantie- en gelijkheidsbeginsel gehandeld en is geen sprake van fundamentele gebreken die ertoe moeten leiden dat de opdracht opnieuw moet worden aanbesteed. De primaire vorderingen worden afgewezen.
Geen herbeoordeling
KPMG vordert subsidiair dat de inschrijvingen opnieuw worden beoordeeld door personen die niet eerder betrokken zijn geweest bij de beoordeling van de inschrijvingen en dat de inschrijvers moet worden uitgenodigd om een nieuwe mondelinge presentatie te geven voor de personen die de herbeoordeling uitvoeren, waarna vervolgens een nieuwe gunningsbeslissing moet worden genomen. KPMG voert in dit verband aan dat zij een uitstekende inschrijving heeft ingediend als die inschrijving wordt getoetst aan de hand van de criteria die in de aanbestedingsstukken zijn opgenomen en dat de kans groot is dat haar inschrijving als de economisch meest voordelige inschrijving wordt aangemerkt indien geen sprake meer is van een knock-out. Verder voert KPMG aan dat uit de beoordeling van de mondelinge presentatie van KPMG blijkt dat de Staat de onjuiste uitleg van de aanbestedingsstukken heeft betrokken, hetgeen directe gevolgen heeft gehad voor de beoordeling en het verloop van de mondelinge presentatie, bijvoorbeeld door de vragen die tijdens de presentatie aan de orde zijn gekomen.
Een herbeoordeling is uitsluitend aan de orde als sprake is van een onjuistheid, onbegrijpelijkheid, onzorgvuldigheid of procedureel gebrek in de beoordeling van een inschrijving. Daarnaast moet het gebrek zodanig zijn dat de bestaande beoordeling (en daarmee de gunningsbeslissing) niet kan worden gedragen. De voorzieningenrechter heeft hiervoor echter geoordeeld dat deze lat niet is gehaald, zodat er geen aanleiding voor een herbeoordeling bestaat.
Slotsom en proceskosten
De slotsom is dat de primaire en subsidiaire vorderingen van KPMG worden afgewezen. KPMG wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat en Greenberg Traurig.
Nu de Staat voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan Greenberg Traurig, brengt voormelde beslissing mee dat Greenberg Traurig geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen, zodat deze worden afgewezen. Greenberg Traurig zal worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken.
Ondanks de afwijzing moet KPMG in haar verhouding tot Greenberg Traurig worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van Greenberg Traurig was immers te voorkomen dat de gunningsbeslissing zou worden ingetrokken, welk doel is bereikt. KPMG zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van Greenberg Traurig. Voorts zal KPMG, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de Staat.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De proceskosten van Greenberg Traurig worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van KPMG af;
veroordeelt Greenberg Traurig voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens de Staat in de kosten van de Staat, tot dusver begroot op nihil;
veroordeelt KPMG in de overige proceskosten van zowel de Staat als Greenberg Traurig van ieder € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als KPMG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet KPMG € 98 extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt KPMG in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen en de rente daarover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
3556