RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6184
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: W. van Hoof)
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiseres op 13 november 2025 is opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het terugkeerbesluit terecht heeft opgelegd. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding en procesverloop
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Algerijnse nationaliteit. In Oekraïne had zij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie in Oekraïne. Eiseres is vanwege die invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opgelegd en aan haar medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt na 4 maart 2024. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is geregistreerd onder nummer NL24.6185. De voorzieningenrechter heeft het verzoek bij uitspraak van 29 maart 2024 toegewezen en, voor zover hier van belang, bepaald dat het (de rechtsvoorganger van) de minister wordt verboden om eiseres uit te zetten.
Op 13 november 2025 heeft de minister aan eiseres een vervangend terugkeerbesluit opgelegd en daarbij – mede door middel van het op 24 september 2025 uitgebrachte voornemen – aan eiseres medegedeeld dat haar verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd. In het terugkeerbesluit staat ook dat op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiseres op dat moment nog rechtmatig verblijf had in Nederland. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken.
Eiseres heeft het beroep gehandhaafd en haar beroepsgronden aangevuld. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 5 december 2025 desgevraagd meegedeeld dat eiseres op een zitting wenst te worden gehoord. De rechtbank heeft partijen hierop uitgenodigd voor een zitting op 21 juli 2026.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Op 20 juli 2026 heeft eiseres de rechtbank, zonder verdere toelichting, meegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen. De minister heeft de rechtbank hierop verzocht te bezien of de zitting alsnog achterwege kon worden gelaten. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres meegedeeld dat eiseres instemt met het achterwege laten van de zitting.
Vervolgens heeft de rechtbank op 21 juli 2026 het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Ontvankelijkheid
3. De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 13 november 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 13 november 2025 daarom inhoudelijk beoordelen.
Nu de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiseres geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover dat is gericht tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaren. Eiseres heeft wel recht op vergoeding van haar proceskosten, omdat het besluit prematuur is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 7.1.
Prematuur terugkeerbesluit
4. Eiseres voert aan dat het terugkeerbesluit vroegtijdig is genomen, omdat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 volgt dat een terugkeerbesluit pas mogelijk is op het moment dat de bescherming eindigt. Eiseres valt dus nog steeds onder de werking van de RTB.
Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet prematuur opgelegd. Uit voormeld arrest van het Hof volgt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 door de minister rechtmatig is, wat door de Afdeling is bevestigd in haar uitspraken van 23 april 2025. Het verblijf van eiseres was daardoor vanaf die datum illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiseres door middel van de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn, zoals de minister terecht heeft gesteld in zijn verweerschrift. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van het EVRM
5. Verder voert eiseres aan dat oplegging van het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Ze beoogt verblijf bij haar moeder die ook in Europa verblijft en wil haar toekomst in Nederland opbouwen.
De rechtbank overweegt dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening moeten houden met onder andere het familie- en gezinsleven. Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat hieronder moet worden begrepen dat er ook geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld als daarmee een inbreuk zou worden gedaan op recht van eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of eiseres op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De Terugkeerrichtlijn ziet uitsluitend op de terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders en niet op de verkrijging van verblijfsrechten. Wanneer eiseres meent dat zij een verblijfsrecht ontleent aan het recht op familie- of gezinsleven dan wel haar privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, kan zij een daartoe strekkende aanvraag indienen. Wel moet de minister dus bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening houden met het privéleven van eiseres.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat in dit geval voldoende gedaan. Eiseres is in het voornemen van 14 september 2025 uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om redenen naar voren te brengen waarom zou moeten worden afgezien van het terugkeerbesluit. De minister heeft ten aanzien van de persoonlijke situatie van eiseres, zoals naar voren gebracht in de zienswijze, in het terugkeerbesluit terecht overwogen dat eiseres een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM kan indienen, dat het hebben van toegang tot de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat er een arbeidstekort is in Nederland, geen reden is om geen terugkeerbesluit op te leggen. De minister heeft zich vervolgens in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat het privéleven van eiseres dat zij gedurende haar verblijfsperiode hier heeft opgebouwd, niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit, nu dit niet nader is onderbouwd noch is geconcretiseerd. Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat de minister volgens het Hof bevoegd is om het tijdelijk verblijf te beëindigen, zoals reeds is overwogen. Verder gaat het niet om langdurig verblijf, waren de aan eiseres gegeven rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard en moet dit geacht worden voor haar ook duidelijk te zijn geweest. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 3 van het EVRM
6. Eiseres voert verder aan dat een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling ontbreekt in het terugkeerbesluit.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025. Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister een dergelijke geactualiseerde refoulementbeoordeling gemaakt. In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiseres bij terugkeer naar Algerije een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, foltering of onmenselijke of vernederende behandelingen. In het bestreden besluit heeft de minister gesteld dat eiseres in haar zienswijze onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Algerije. Eiseres heeft in beroep ook geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit dit volgt en heeft – zoals de minister terecht heeft gesteld in het verweerschrift – niet aannemelijk gemaakt dat de beoordeling van de minister niet deugt. De enkele stelling dat de minister een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet verrichten, is zonder enige toelichting niet relevant voor het risico op refoulement. Het beginsel van non-refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 13 november 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiseres moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Algerije.
Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiseres in de zaak heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor van 1).
Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6185 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiseres uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 13 november 2025 ongegrond; en
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 juli 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.