[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.E.J.M. Bartels),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: H.Q. van der Zaan).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 10 juli 2025 is opgelegd. Eiser is hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het beroep door eiser te laat is ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Inleiding
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is als gevolg van deze invasie vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.
4. Op 10 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een terugkeerbesluit opgelegd.
5. Eiser heeft tegen dit terugkeerbesluit op 11 september 2025 beroep ingesteld.
6. Partijen zijn per brief van 3 februari 2026 gevraagd of zij mondeling op een zitting willen worden gehoord. De minister heeft meegedeeld toestemming te geven de zaak af te doen buiten zitting. Bij het uitblijven van een reactie van eiser heeft de rechtbank daarom afgezien van een zitting en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
7. De rechtbank moet ambtshalve toetsen of het beroep tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift in onderhavige zaak is vier weken. Uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb volgt dat deze termijn begint met ingang van de dag ná die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.
8. Uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb volgt dat een beroepschrift op tijd is ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt bekendmaking van een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht door toezending of uitreiking aan hen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Uit artikel 6:11, eerste lid, van de Awb volgt dan dat de rechtbank een niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te laten indiening achterwege laat.
9. Niet is betwist dat het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 naar het juiste adres is verzonden van zowel eiser als zijn gemachtigde. Gelet op de hiervoor aangehaalde artikelen van de Awb is het besluit op een juiste wijze bekend gemaakt en heeft de termijn van vier weken voor het indienen van het beroep een aanvang genomen op 11 juli 2025. Dat betekent dat de beroepstermijn op 7 augustus 2025 eindigde. Eiser heeft op 11 september 2025 beroep ingediend.
10. In de gronden van 10 oktober 2025 heeft eiser erkend dat hij te laat beroep heeft ingesteld. Hij stelt echter dat dit hem niet kan worden tegengeworpen, omdat de minister in een brief van 19 februari 2025 en het voornemen van 4 juni 2025 eiser heeft meegedeeld dat er nog een beroepsprocedure tegen het eerdere (terugkeer)besluit loopt, zodat eiser erop mocht vertrouwen dat het niet nodig was om beroep in te dienen tegen het terugkeerbesluit van 10 juli 2025.
11. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift te laat is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de gemachtigde van eiser eerder al meerdere procedures die verband hielden met hetzelfde traject heeft ingetrokken. Het gaat daarbij om de beroepsprocedure tegen het eerdere terugkeerbesluit van 31 augustus 2023 en de daarbij behorende procedure om een voorlopige voorziening en de asielprocedure. Dat de minister in de brief en het voornemen opmerkt dat er een beroepsprocedure loopt, maakt dit niet anders. Het terugkeerbesluit van 10 juli 2025 bevat immers een beroepsclausule zodat er geen twijfel over kan bestaan dat eiser beroep kon instellen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.
12. De rechtbank moet verder ambtshalve vaststellen of er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022 en de daarin aangehaalde jurisprudentie. Bahaddar-omstandigheden doen zich voor indien wat de vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat uitzetting dan wel terugkeer van die vreemdeling schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in het geval van eiser niet van gebleken.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
26 augustus 2026
Rechtsmiddel
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze
partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de
behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de
indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.