RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48600
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Procesverloop
1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De minister heeft op 14 augustus 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Inleiding
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 augustus 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek. In deze zaak gaat het dus om de periode van 4 augustus 2026 tot opheffing van de maatregel op 14 augustus 2026.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert aan dat de gronden waarop de maatregel van bewaring is gebaseerd de maatregel niet kunnen dragen. Ook stelt eiser dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd, en dat er ten onrechte geen lichter middel aan hem is opgelegd. Tot slot stelt eiser zich op het standpunt dat de minister niet voortvarend werkt aan de uitzetting. De minister had, gelet op de uitspraak van 10 augustus 2026, op dossierniveau moeten rappelleren. Niet is gebleken dat dit is gebeurd. Ook stelt de minister ten onrechte dat er sprake is van een LP-toezegging.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt dat zij in de uitspraak op het eerste beroep tegen de maatregel van bewaring heeft geoordeeld dat alle in de maatregel genoemde gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd, en dat deze voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen. Deze uitspraak staat in rechte vast.
De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit de M120 blijkt dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser op 4 augustus 2026 hebben bevestigd. De minister heeft dit op de zitting bevestigd.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet voortvarend genoeg heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Op 4 augustus 2026 hebben de autoriteiten van Nigeria weliswaar de nationaliteit van eiser bevestigd, maar uit de voortgangsrapportage blijkt niet dat er in de voorliggende periode door de minister uitzettingshandelingen zijn verricht. Dit heeft de minister op de zitting ook bevestigd. Hoewel aan de minister enige tijd moet worden gegund na een nationaliteitsbevestiging om verdere stappen te ondernemen in het kader van uitzetting, getuigt het niet van voortvarendheid dat er in de navolgende negen dagen geen enkele uitzettingshandelingen zijn verricht. Daar komt bij dat uit de hiervoor genoemde uitspraak van 10 augustus 2026 volgt dat de minister op individueel niveau diende te rappelleren bij de Nigeriaanse autoriteiten. Uit de voortgangsrapportage en het verhandelde op de zitting volgt niet dat de minister hier stappen in heeft gezet noch dat op individueel niveau is gerappelleerd. Het beroep is daarom gegrond. Omdat de minister enige tijd gegund moest worden om verdere stappen te ondernemen na de nationaliteitsbevestiging ziet de rechtbank aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten vanaf 6 augustus 2026.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond en de bewaring was onrechtmatig vanaf 6 augustus 2026.
7. De rechtbank zal schadevergoeding toekennen voor de 9 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel, namelijk vanaf 6 augustus 2026 tot en met 14 augustus 2026. Dit komt neer op een bedrag van 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-
8. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.