ECLI:NL:RBDHA:2026:25475

ECLI:NL:RBDHA:2026:25475

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.49183
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49183

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eisers op 25 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen, zonder zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft op 30 augustus 2026, voorafgaand aan de zitting, laten weten dat hij en eiser niet op de zitting zullen verschijnen. Eiser heeft later te kennen gegeven dat hij toch op de zitting gehoord wenste te worden. Hij is tijdens de zitting gewezen op zijn recht om zich door een advocaat te laten bijstaan. Eiser heeft uitdrukkelijk aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank te Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot

terugkeer;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van

hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat zijn EU-verblijfsrecht bij beschikking van 29 oktober 2024 is ingetrokken. Die beslissing staat in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast dat geen beroepsgronden zijn ingediend en dat daarmee de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet zijn betwist. De rechtbank is ambtshalve van oordeel dat grond p niet aan eiser kan worden tegengeworpen, omdat het onderduikrisico voor deze grond in de maatregel niet nader is toegelicht. Dit laat echter onverlet dat de overige gronden naar het oordeel van de rechtbank wel aan eiser kunnen worden tegengeworpen. Deze gronden zijn al voldoende om de maatregel te kunnen dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat.

Lichter middel

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het risico op onderduiken is gegeven. De rechtbank ziet in de enkele ontkenning van eiser dat hij gezegd zou hebben dat hij niet wil vertrekken, geen aanleiding voor een ander oordeel. Overigens is de rechtbank niet gebleken van medische omstandigheden of persoonlijke belangen die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 26 augustus 2026 heeft de minister de zaaksofficier geïnformeerd over de voorgenomen uitzetting en gevraagd of hiermee kan worden ingestemd. Daarnaast is op 27 augustus 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en heeft de gemachtigde van de minister tijdens de zitting aangegeven dat op 28 augustus 2026 een vlucht is aangevraagd voor eiser. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

9. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Letland in algemene zin niet ontbreekt. Niet is gebleken dat de Letse autoriteiten geen medewerking verlenen aan gedwongen terugkeer. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier in het geval van eiser anders over te oordelen.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand