ECLI:NL:RBDHA:2026:25477

ECLI:NL:RBDHA:2026:25477

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.49331
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.49331

V-nummer: [v-nummer:],

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),

en

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. De maatregel is op goede gronden opgelegd en de minister heeft kunnen afzien van het gebruik van een lichter middel. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eisers op 25 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eisers ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is via een beeldverbinding vanuit het detentiecentrum in Rotterdam verschenen. De gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister zijn op de rechtbank in Groningen verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

b. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot

terugkeer;

c. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend;

d. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet, dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet, dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet;

h. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting

tot terugkeer.

j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft

ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;

o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;

p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;

r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;

s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;

t. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

De minister heeft op de zitting de gronden c en t laten vallen.

De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, omdat aan eiser op 4 augustus 2020 een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van tien jaar is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

6. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden a, b, j, p, q, r en s inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank ziet ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden ten onrechte aan eiser zijn tegengeworpen. Alleen die gronden zijn al voldoende om de maatregel te dragen. Daarmee is er voldoende reden om aan te nemen dat een risico op onderduiken bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de gronden d, g, h en o daarom onbesproken.

Lichter middel

7. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden de maatregel kunnen dragen en daarmee het onderduikrisico is gegeven. Ook voor het overige heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat ten aanzien van eiser eerder al lichtere middelen zijn toegepast, waaronder het voeren van vertrekgesprekken, een meldplicht en een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 van de Vw, maar dat dit niet heeft geleid tot zelfstandige terugkeer.

Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser kenbaar heeft gemaakt en voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. In de maatregel wordt gewezen op de aanwezigheid van de medische dienst op het DTC. Daarnaast zal eiser daar een intake krijgen en zal worden beoordeeld in hoeverre hij medische zorg nodig heeft en zal hierin worden voorzien. Ook is gewezen op de mogelijkheid van extra toezicht bij suïcidaliteitsgevaar, waaronder plaatsing in een zogenoemde time-outkamer en, indien nodig, plaatsing in een observatiecel met constant toezicht. Verder is vermeld dat eiser, als de benodigde zorg niet binnen het DTC kan worden geboden, kan worden overgeplaatst naar een passende medische instelling.

De rechtbank is overigens niet gebleken van persoonlijke belangen die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.

Voortvarendheid

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Er is op de derde dag van de inbewaringstelling, namelijk op 27 augustus 2026, een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

9. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Zo hebben de Marokkaanse autoriteiten al eerder, op 2 september 2022, de nationaliteit van eiser bevestigd en destijds, op 7 juli 2023, een lp afgegeven. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten niet opnieuw een lp aan eiser zullen verstrekken.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R. Tesfai

Griffier

  • mr. S. Strating

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand