ECLI:NL:RBDHA:2026:25483

ECLI:NL:RBDHA:2026:25483

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer NL26.50033
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

bewaring, kennisgeving, Bewaringsmaatregel o.g.v. art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Grondslag van de maatregel niet juist. De vreemdeling had gedurende de termijn om een voorlopige voorziening in te dienen procedureel rechtmatig verblijf in Nederland, artikel 68 van de Procedurerichtlijn. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.50033

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Abas als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft eiser op 9 augustus 2026 in bewaring gesteld, in verband met zijn asielaanvraag op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Op 22 augustus 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. In dit besluit is vermeld dat de termijn om beroep en een voorlopige voorziening in te dienen een week is (tot en met 31 augustus 2026), dat de uitspraak op het beroep niet in Nederland mag worden afgewacht en dat eiser tijdens de behandeling van een verzoek om een voorlopige voorziening niet uit Nederland mag worden verwijderd.

Op 27 augustus 2026 heeft verweerder de maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgeheven en aan eiser een nieuwe bewaringsmaatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft verweerder ter onderbouwing van het onderduikrisico als gronden zoals bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Grondslag van de bewaringsmaatregel

5. Eiser voert aan dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw op 27 augustus 2026 ten onrechte is opgeheven in verband met het asielbesluit, althans dat hij sindsdien op een onjuiste wettelijke grondslag, namelijk artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, in bewaring is gesteld. Ter onderbouwing verwijst hij naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Arnhem van 16 juli 2026 en ’s-Hertogenbosch van 24 juli 2026.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bewaring, na afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, terecht en op goede gronden is omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Volgens verweerder heeft een vreemdeling na afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond geen rechtmatig verblijf, ook als hij op dat moment (nog) niet verwijderbaar is. Als een voorlopige voorziening ertoe zou leiden dat de vreemdeling toch op het grondgebied van Nederland mag verblijven, zou dat volgens verweerder afbreuk doen aan de systematiek van de Procedureverordening. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Amsterdam van 17 juli 2026, Roermond van 17 juli 2026 en Den Haag van 28 juli 2026.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 8, aanhef en onder h en onder 2°, van de Vw heeft een vreemdeling - kort gezegd - rechtmatig verblijf in Nederland in afwachting van de beslissing op een beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven.

Op grond van artikel 68, eerste lid, van de Procedureverordening worden de gevolgen van een terugkeerbesluit geschorst zolang een verzoeker op grond van dit artikel recht of toestemming heeft om te blijven. Op grond van artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening hebben verzoekers om internationale bescherming het recht om op het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een doeltreffende voorziening voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg kunnen uitoefenen, verstrijkt en, indien dat recht binnen de vastgestelde termijn wordt uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte (de rechtbank begrijpt: het beroep). In andere woorden, als een asielaanvraag is afgewezen heeft een verzoeker het recht om het grondgebied van de lidstaten te blijven tot de termijn waarbinnen hij beroep kan indienen is verstreken, of totdat op het beroep is beslist. De uitzonderingen op deze hoofdregel zijn opgenomen in artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening. Hierin is onder andere en kort gezegd opgenomen dat als een asielaanvraag in een versnelde behandelingsprocedure is afgewezen als kennelijk ongegrond de verzoeker in beginsel geen recht heeft om op het grondgebied te blijven. Wel is een rechterlijke instantie gelet op het bepaalde in het vierde lid bevoegd om op verzoek van de verzoeker te beslissen dat diegene op het grondgebied van de lidstaat mag blijven in afwachting van de uitkomst van de voorziening in rechte. Een verzoeker van wie de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond kan de voorlopige voorzieningenrechter dus wel verzoeken om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Uit het vijfde lid van artikel 68 van de Procedureverordening volgt verder dat de verzoeker vanaf de datum van zijn beslissing ten minste vijf dagen de tijd moet krijgen om een voorlopige voorziening in te dienen (onder a) en dat de verzoeker niet wordt verwijderd van het grondgebied tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven is verstreken, of totdat daarop is beslist (onder d).

De Procedureverordening is rechtstreeks van toepassing.

Beoordeling door de rechtbank

7. In het geval van eiser is de asielaanvraag in de versnelde behandelingsprocedure afgewezen als kennelijk ongegrond, zodat artikel 68, tweede lid, van de Procedureverordening daarom niet op eiser van toepassing is. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser rechtmatig verblijf had zoals bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw zolang de termijn om een voorlopige voorziening in te dienen nog niet was verstreken. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de conclusie dat eiser hangende die rechtsmiddelentermijn niet op 27 augustus 2026 in bewaring kon worden gesteld op de grondslag dat hij geen rechtmatig verblijf had, zoals nu is gebeurd.

Uit de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:544) (zaak C., J. en S.) volgt dat een vreemdeling van wie het asielverzoek is afgewezen als kennelijk ongegrond gedurende de periode waarin een rechtsmiddel kan worden ingesteld of als een rechtsmiddel is ingesteld, niet op grond van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn in bewaring mag worden gesteld zolang hij volgens artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat mag blijven. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3442) volgt dat een vreemdeling in zo een geval procedureel rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw.

De rechtbank wijst erop dat de hiervoor genoemde jurisprudentie betrekking heeft op de uitleg van de nog geldende Terugkeerrichtlijn. Uit de concordantietabel (bijlage bij de Procedureverordening) volgt dat het vroegere artikel 46, achtste lid, van de Procedurerichtlijn terugkomt in artikel 68, vijfde lid, punt d, van de Procedureverordening. Dit artikel bepaalt dat de verzoeker niet wordt verwijderd van het grondgebied tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven is verstreken, of totdat daarop is beslist. Blijkens artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening is het vijfde lid ook van toepassing op de situatie waarbij de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond.

Dat de bewoordingen van de betreffende artikelen van de Procedurerichtlijn en de Procedureverordening niet identiek zijn, nu in de Procedurerichtlijn wordt gesproken over het recht om op het grondgebied te blijven (‘the right to remain’) en dit niet op één lijn kan worden gesteld met de in de Procedureverordening gekozen bewoordingen dat de vreemdeling niet van het grondgebied wordt verwijderd (‘shall not be removed’), zoals verweerder naar voren heeft gebracht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Terugkeerrichtlijn is, zoals gezegd, nog steeds van toepassing en de Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 15 oktober 2019 overwogen dat het verblijfsrecht tijdelijk van aard is, bedoeld om te voldoen aan het vereiste dat het een vreemdeling in gevallen als hier aan de orde moet worden toegestaan om in ieder geval tijdens de rechtsmiddelentermijn op het grondgebied te verblijven (procedureel rechtmatig verblijf).

Verder blijkt uit paragraaf 93 van de considerans (voorafgaande overwegingen bij de Procedureverordening) dat in gevallen waarin de verzoeker niet automatisch het recht heeft om te blijven, een rechterlijke instantie toch de verzoeker (bij een eerste en tijdig ingediend verzoek) moet kunnen toestaan om in afwachting van de uitkomst van het beroep op het grondgebied van de lidstaat te blijven. In dergelijke gevallen moeten verzoekers het recht hebben om te blijven tot de termijn waarbinnen een verzoek om te mogen blijven bij een rechterlijke instantie moet worden ingediend, verstrijkt en, indien de verzoeker binnen die termijn een dergelijk verzoek heeft ingediend, tot de bevoegde rechterlijke instantie een beslissing neemt. Dat de Uniewetgever abusievelijk heeft nagelaten om de tekst van de considerans (‘het recht om te blijven’) aan te passen, zoals verweerder naar voren heeft gebracht, volgt de rechtbank in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen niet.

Gelet op het voorgaande, concludeert de rechtbank dat, zolang de termijn om een voorlopige voorziening in te dienen nog niet was verstreken, eiser procedureel rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw omdat hij overeenkomstig artikel 68, vijfde lid, in samenhang met de daaraan voorafgaande leden, van de Procedureverordening het recht had om op het grondgebied van Nederland te blijven. Dit betekent dat eiser in ieder geval tot het moment waarop hij een voorlopige voorziening kon indienen, dus tot en met 31 augustus 2026, rechtmatig in Nederland verbleef. De bewaringsmaatregel kon daarom niet op 27 augustus 2026 op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw worden opgelegd. De bewaring is daarom onrechtmatig vanaf 27 augustus 2026.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.

Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 8 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 8 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 960,-.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M.J. Adriaansen

Griffier

  • mr. M. Stehouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand