ECLI:NL:RBDHA:2026:25551

ECLI:NL:RBDHA:2026:25551

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer NL25.63103 en NL25.63104
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Asiel Libië, problemen met milities ongeloofwaardig geacht, beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser]

geboren op [geboortedag] 2003, van Libische nationaliteit, eiser /verzoeker, hierna: eiser,

(gemachtigde: mr. M. timmer),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Inleiding

1. Met het besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen om verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van beide partijen en mevrouw M.R. van den Driest als tolk Arabisch.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Toetsingskader

3. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing, omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.

Asielrelaas

4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Libië problemen heeft met de milities [naam 1] en [naam 2]. Eiser is in 2021 door de [naam 1] militie langs de weg gestopt. Zij wilde zijn scooter hebben en toen eiser deze niet wilde afstaan hebben ze hem mishandeld en meegenomen naar het bureau. Hier hebben ze hem een paar uur vast hebben gehouden en gemarteld. Uiteindelijk werd eiser na een paar uur naar het ziekenhuis gebracht waar de mensen van de militie aangaven dat zij hem hadden aangetroffen bij een auto-ongeluk en werd hij bedreigd met de dood om te zwijgen over wat er echt was gebeurd. Eisers medische situatie verslechterde waardoor hij naar Tunesië is gegaan voor een behandeling en zijn revalidatie. Toen eiser na zijn behandeling terugkwam in Libië wilde hij aangifte doen tegen [persoon] , een van de militieleiders van de [naam 1] militie. Zijn aangifte werd niet ingenomen toen de politie hoorde dat de aangifte tegen [persoon] was. De politie heeft de militie ingelicht over zijn poging tot aangifte waarna eiser is gevlucht en zich twee jaar heeft schuilgehouden in een familiehuis in [plaats 2]. In die periode heeft eiser via zijn nummer en via sociale media bedreigingen ontvangen. In 2025 is eiser weer in de problemen geraakt met een militie, maar dit keer met de [naam 2] militie. Hij werd onderweg naar een winkel aangehouden en heeft geweigerd te vertellen waar hij woonde. Hierdoor werd hij meegenomen naar een bureau waar ze hem een week lang hebben vastgehouden en gemarteld. De [naam 2] militie nam in deze week contact op met [persoon] van de [naam 1] militie en de afspraak werd gemaakt dat eiser voor geld zou worden uitgeleverd door [naam 2] aan [naam 1]. Na een week wist eiser te ontsnappen met hulp van een vriend van zijn neef. Hij is toen naar [plaats 1] gegaan en heeft hij daar bij zijn tante verbleven gedurende ongeveer acht maanden, tot hij een Nederlands visum kon krijgen. Op 22 november 2025 heeft eiser Libië met het vliegtuig verlaten.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser de volgende documenten overgelegd:

een medische verklaring;

een röntgenfoto;

een medische verklaring;

een foto;

een verklaring van de familiesituatie;

een aangifte van een incident uit 2013;

een diploma;

een geboorte uittreksel;

een uittreksel van de gemeente.

Besluitvorming

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met de milities [naam 2] en [naam 1].

Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Zijn problemen met de milities [naam 2] en [naam 1] acht verweerder echter niet geloofwaardig. Eiser heeft met de door hem overgelegde documenten zijn asielmotief onvoldoende weten te onderbouwen. De overgelegde aangifte van het incident uit 2013 onderbouwt niet de problemen waardoor eiser uit Libië is vertrokken. De documenten over de opname in het ziekenhuis laten zien dat eiser in 2021 is opgenomen in het ziekenhuis, maar het blijkt niet uit de stukken dat hij door het toedoen van de milities in het ziekenhuis is beland. Uit de stukken blijkt zelfs dat eisers gebroken been is veroorzaakt door een ‘post road traffic accident’. Verder heeft eiser geen stukken overgelegd die zijn online bedreigingen onderbouwen en heeft hij geen inspanningen verricht om toegang te krijgen tot zijn oude sociale media-accounts en zo bij de oude dreigberichten te komen.

Daarnaast vormen eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ten eerste zijn eisers verklaringen over de aanhouding en mishandeling door de militie van [naam 1] onsamenhangend en ongerijmd. Verweerder kan niet inzien waarom eiser, enkel omdat hij zijn scooter niet wilde afgeven, zou worden meegenomen naar het bureau en daar een aantal uur zou zijn mishandeld. Dat eiser daarna naar het ziekenhuis is gebracht door degene die hem hebben mishandeld acht verweerder ook onsamenhangend. Dat de arts vervolgens heeft geconstateerd dat de botbreuk door een auto-incident is ontstaan, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen. Bovendien heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij in zijn been is geschoten, terwijl hij in het nader gehoor juist verklaard heeft dat de verwondingen in het been door de mishandelingen zijn ontstaan. Ten tweede acht verweerder de verklaringen over de aangifte en online bedreigingen ongerijmd en vaag. Eiser kan namelijk niet verklaren wanneer hij geprobeerd heeft de aangifte te doen. Ook valt niet in te zien waarom hij over zou gaan tot de aangifte direct na zijn herstel in Tunesië, nu eiser zelf heeft verklaard dat de politie bang is voor de milities en met hen samenwerkt. Ten derde vindt verweerder eisers verklaringen over de problemen met de [naam 2] militie ongerijmd en volgt verweerder deze verklaringen daarom niet. Eiser heeft enerzijds verklaard dat hij samen met anderen is aangehouden, en anderzijds heeft hij verklaard dat er geen getuigen waren van de aanhouding. Ook eisers verklaring dat de [naam 2] militie meteen wist dat [persoon] hem zocht toen ze zijn naam wisten, acht verweerder bevreemdend. Verweerder volgt eiser ook niet in zijn verklaringen over zijn ontsnapping uit gevangenschap bij de [naam 2] militie. Ten vierde is het gebleken dat eiser meermaals Libië in en uit is gereisd en voor langere periodes geen problemen heeft ondervonden in Libië. Dat eisers eerste problemen met de autoriteiten plaats vonden in 2021 en dat eiser stelt dat de milities in Libië samenwerken met de autoriteiten, doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de gestelde problemen omdat hij meermaals probleemloos heeft kunnen in- en uitreizen. Tot slot heeft eiser voor langere periodes geen problemen ondervonden in Libië. Hierdoor kan verweerder niet inzien dat eiser niet terug zou kunnen keren, nu hij jarenlang geen directe problemen heeft ondervonden met de milities van [persoon] en in de maanden voor zijn vertrek ook geen problemen met de [naam 2] militie heeft gehad.

Uit eisers verklaringen volgt derhalve niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Het valt eiser namelijk aan te rekenen dat hij op valse voorwendselen heeft geprobeerd Nederland binnen te komen en de Nederlandse autoriteiten heeft geprobeerd te misleiden met zijn toeristenvisum.

Documenten

6. Eiser voert ten eerste aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat zijn verklaringen over de problemen met de milities niet geloofwaardig zijn, omdat hij zijn verklaringen niet met voldoende met documenten zou hebben onderbouwd en hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven.

7. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser een deel van zijn verklaringen wel heeft onderbouwd met documenten en een deel van zijn verklaringen niet. Eiser heeft zijn verwondingen uit 2021 onderbouwd met medische stukken. Ook heeft hij met de medische stukken zijn verklaring onderbouwd dat hij bij het ziekenhuis moest zeggen dat zijn verwondingen door een verkeersongeluk waren veroorzaakt.

Eisers verklaring over de online bedreigingen door de [naam 1] militie heeft hij echter niet onderbouwd met stukken. Dit wordt ook niet betwist door eiser. De vraag die partijen verdeeld houdt is of eiser voor het ontbreken van onderbouwing een goede verklaring heeft gegeven. Eiser heeft verklaard dat hij de accounts waarop hij de bedreigingen heeft ontvangen uit angst voor de militie heeft verwijderd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser onvoldoende inspanning heeft verricht om opnieuw toegang te krijgen tot zijn sociale media-accounts en de berichten terug te halen. Eisers verklaring dat hij uit angst voor verdere bedreigingen zijn accounts heeft verwijderd, is naar het oordeel van de rechtbank te begrijpen. Dat eiser hiermee, zoals verweerder meent, geen goede reden zou hebben gegeven voor het ontbreken van documenten die de online bedreigingen onderbouwen, volgt de rechtbank niet.

Tegenstrijdigheden/ongerijmdheden

8. Op de zitting heeft verweerder toegelicht dat een aantal van eisers verklaringen onjuist zijn weergegeven in de besluitvorming. De hiermee verband houdende (vermeende) tegenstrijdigheden werpt verweerder niet langer tegen. Zo werpt verweerder niet langer tegen dat niet valt in te zien waarom eiser, enkel omdat hij zijn scooter niet wilde afgeven, zou worden meegenomen naar het bureau en daar een aantal uur zou zijn mishandeld. Ook werpt verweerder eiser niet langer tegen dat het bevreemdend is dat hij kon ontsnappen uit de tweede plek waar eiser werd vastgehouden door de [naam 2] militie terwijl hij een verbrijzeld been zou hebben gehad. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij in 2021 een verbrijzeld been had en dat de ontsnapping in 2025 plaatsvond.

Tegenstrijdigheid oorzaak van het letsel veroorzaakt door de [naam 1] militie

9. Verweerder werpt eiser wel nog tegen dat hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij in zijn been is geschoten in 2021, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard dat de verwondingen aan zijn been zijn veroorzaakt door de mishandelingen door de [naam 1] militie.

Daargelaten de vraag of verweerder een vermeende tegenstrijdigheid tussen een verklaring uit het aanmeldgehoor en een verklaring uit het nader gehoor mag tegenwerpen nu het aanmeldgehoor niet is gericht op het vaststellen van het vluchtverhaal, is de rechtbank van oordeel dat van een tegenstrijdigheid geen sprake is. Eiser heeft in het aanmeldgehoor als volgt verklaard:

‘Eigenlijk, in 2021 ben ik heb ik problemen gekregen in Tripoli. Op 21 december 2021 werd ik beschoten, gewond geraakt in mijn been. Begin 2022 ben ik naar Tunesië gegaan voor behandeling.’

In het nader gehoor heeft eiser hierover het volgende verklaard:

‘Op 21 december 2021 was ik bezorger. Ik bezorgde op mijn scooter. Ik werkte van 10 uur ’s ochtends tot 20 uur ’s avonds. Ik was bezig met het bezorgen op mijn scooter en ik werd aan de kant gezet door milities. Ze begonnen me uit te schelden en te beledigen. Ze zeiden tegen mij je moet stoppen. Ze waren van plan om mijn scooter af te pakken. Ik heb geprobeerd ze te ontwijken. Toen hebben ze aangereden met een auto en ik viel op de grond. Toen begonnen ze mij te slaan. Het waren 3 personen. Ze waren bewapend. Toen hebben ze mij meegenomen naar hun bureau in [locatie] . Daar hebben ze mij gemarteld. Ze hebben de botten van mijn linkerbeen verbrijzeld.’

Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder dit niet tegenwerpen als tegenstrijdigheid. Uit de verklaring van eiser in het aanmeldgehoor volgt dat hij op 21 december 2021 is beschoten. Ook volgt er uit zijn verklaring, door de komma tussen de zinsnede, dat hij op die dag gewond is geraakt aan zijn been. Uit de verklaring kan niet eenduidig worden afgeleid dat eiser gewond is geraakt aan zijn been doordat hij werd beschoten. Op basis van deze verklaring is niet uit te sluiten dat eiser werd beschoten en dat hij op een later moment, door andere oorzaak, gewond is geraakt aan zijn been. De rechtbank ziet gelet hierop niet in dat dit tegenstrijdig is met hetgeen eiser hierover heeft verklaard in het nader gehoor. Bovendien heeft eiser in de rest van het nader gehoor consistent verklaard over de oorzaak van het letsel aan zijn been.

Aangifte tegen [persoon]

10. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het niet valt in te zien waarom eiser over zou zijn gegaan tot de aangifte direct na zijn herstel in Tunesië, nu eiser zelf heeft verklaard dat de politie bang is voor de milities en met hen samenwerkt. Ook acht verweerder het ongerijmd dat eiser het moment van de aangifte niet heeft kunnen noemen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte als bevreemdend heeft tegengeworpen dat eiser over is gegaan tot het doen van aangifte. Uit de verklaring van eiser maakt de rechtbank op dat eiser in eerste instantie hoop had dat zijn aangifte bij de politie daadwerkelijk iets zou opleveren, en dat hij gaandeweg erachter kwam dat dat de aangifte niet zou helpen. Dat maakt de rechtbank op uit de volgende passage in het nader gehoor:

Wat was uw verwachting van het doen van aangifte?

Ik dacht dat ze hem zouden oppakken voor wat hij mij heeft aangedaan en dat ik mijn rechten kon terugkrijgen. Later bleek dat de wetten niet worden toegepast in ons land.

[…]

U had er niet bij stilgestaan dat het doen van aangifte voor problemen kon zorgen?

Ik dacht dat er een wet bestond en dat ik mijn rechten kon krijgen, omdat ik beledigd was, mishandeld, mijn been was gebroken en ze mijn motor hadden gestolen. Ik dacht dat de autoriteiten de wetten toepassen en dat ze me zouden behandelen naar de wet, maar dat bleek niet zo te zijn. De milities hebben die in handen.’

Over het moment van aangifte heeft eiser tijdens het nader gehoor het volgende verklaard. Op de vraag ‘Wanneer bent u naar de politie geweest voor aangifte?’, antwoordde hij: ‘De precieze datum weet ik niet meer, maar het was ongeveer een maand na mijn terugkeer naar Libië.’ Dan zegt de gehoorambtenaar: ‘Dan zitten we ongeveer rond mei 2022, zou dat kunnen?’, waarop eiser antwoordde: ‘Na mijn terugkeer, vier dagen of zo, ik weet het niet meer precies, ging ik wel aangifte doen. Ik weet niet meer precies de dag.’ Eiser geeft dus wel bij benadering een tijdsmoment. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet bevreemdend dat eiser, ook mede gelet op het tijdsverloop, enkel bij benadering het tijdsverloop heeft kunnen noemen.

De [naam 2] militie

11. Ook wordt aan eiser tegengeworpen dat hij ongerijmd heeft verklaard over zijn aanhouding door de [naam 2] militie. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat hij samen met anderen is aangehouden, maar anderzijds dat er geen getuigen waren van de aanhouding.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier niet om ongerijmde verklaringen. De verklaringen van eiser wekken bij de rechtbank de indruk dat het gaat om twee verschillende momenten. Eiser heeft eerst verklaard dat hij in [plaats 2] naar buiten ging en dat er op straat een soort controle plaatsvond. Daar werd hij aangehouden om te controleren wie hij was en waar hij vandaan kwam. Eiser heeft toen geweigerd mee te werken. Hij heeft verklaard dat er op het moment van aanhouden voor de controle en tijdens het fouilleren mensen aanwezig waren. Daarna hebben ze hem meegenomen naar het bureau. De verklaring van eiser dat er geen getuigen waren van de aanhouding heeft de rechtbank aldus gelezen dat eiser het dan heeft over het moment dat hij werd meegenomen naar het bureau. Over dat moment heeft eiser verklaard – zo begrijpt de rechtbank - dat er geen getuigen waren.

Databases

12. Verweerder volgt eiser ook niet daar waar hij heeft verklaard dat de [naam 2] militie meteen zou weten dat [persoon] , van de [naam 1] militie, naar hem op zoek was toen de [naam 2] militie achter eisers naam was gekomen.

De rechtbank stelt vast dat uit het Algemeen Ambtsbericht Libië van 2025 volgt dat verschillende milities hun eigen databases bijhouden met gezochte personen. Zie daarvoor paragraaf 3.5.9:

‘Volgens een bron hadden milities in het westen ieder hun eigen database of lijst van personen die zij zochten. Het ging daarbij niet om personen die formeel gezocht werden maar om persoonlijke vendetta’s.

[…]

Personen die een bedreiging vormden voor de doelen van de gewapende groep liepen het risico opgepakt te worden. Wanneer een dergelijke bedreiging was geweken, verloren gewapende groepen ook interesse in de betreffende persoon. Een bron was niet bekend met specifieke informatie over databases of lijsten van personen die gezocht werden. Wel was duidelijk dat gewapende groepen de maatschappij in hoge mate monitorden, op de hoogte waren van de activiteiten van individuen en dat deze personen daardoor risico liepen. Volgens de bron toonde de snelheid waarmee gewapende groepen reageerden op handelingen en activiteiten van individuen aan dat de communicatie tussen gewapende actoren intensief was.’

In het licht van deze informatie acht de rechtbank het aannemelijk dat eiser in een [naam 1] database staat. Nu deze informatie uit het Ambtsbericht van 2025 ook vermeld dat de communicatie tussen gewapende actoren intensief is, acht de rechtbank het ook niet onaannemelijk dat eiser, zelfs drie jaar na de problemen met de [naam 1] militie, door de [naam 2] militie is geïdentificeerd als een persoon die bij de [naam 1] militie in de negatieve belangstelling staat.

In- en uitreizen

13. Verweerder werpt aan eiser ook tegen dat hij sinds 2021, toen de problemen met de milities begonnen, Libië meermaals legaal is in- en uitgereisd. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde problemen, nu hij stelt dat de milities in Libië ook samenwerken met de autoriteiten.

De rechtbank stelt vast dat eiser in 2021 naar Tunesië is gereisd voor de revalidatie van zijn been. Hij is toen in 2022 teruggekeerd. Eiser is ook in oktober 2024 voor een paar dagen in Tunesië geweest en in november 2025 voor één dag. Beide keren was de reden het aanvragen van een visum. Hij heeft hierbij continu met het vliegtuig gereisd, vanuit het vliegveld [vliegveld]. Uit het Ambtsbericht van 2025 volgt dat de [naam 1] militie de controle had over het internationale vliegveld [vliegveld]. De rechtbank kan verweerder daarom volgen dat het in- en uitreizen vanuit deze luchthaven vragen oproept. Dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het gehele asielrelaas, kan de rechtbank daarentegen niet volgen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat, ook als er twijfels of bedenkingen zijn over meer perifere onderdelen van een asielrelaas, het asielrelaas in het algemeen alsnog ‘sufficiently credible’ kan zijn. Zo overweegt het EHRM in de zaak van R.C. tegen Zweden dat enkele onzekere aspecten, zoals in dat geval de uitleg van betrokkene over zijn ontsnapping uit de gevangenis, de algehele geloofwaardigheid van het verhaal niet hoeven te ondermijnen. Hoewel de reisbewegingen van eiser, tegen de achtergrond van genoemde landeninformatie, ook bij de rechtbank vragen oproepen, verbindt de rechtbank daar niet dezelfde gevolgen aan als verweerder doet. Deze tegenwerping kunnen niet dragend zijn voor het oordeel dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig is.

14. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat verweerder eisers problemen met beiden milities ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht.

Gevolgen en conclusie

15. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, daarbij de gestelde problemen met de milities als uitgangspunt te nemen en zich te buigen over de zwaarwegendheid en de risicotaxatie in geval eiser zou moeten terugkeren naar Libië. Daarbij dient verweerder de algehele situatie in het land van herkomst in acht te nemen, en ook het principe vervat in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening, dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden, een duidelijke aanwijzing is voor vervolging of ernstige schade in de toekomst.

16. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

17. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.63103:

In de zaak geregistreerd onder nummer NL25.63104:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

In beide zaken:

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand