RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49879
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 2 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 juli 2026 (in de zaak NL26.40579) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 27 juli 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 27 juli 2026.
4. Eiser voert aan dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft gedurende de anderhalve maand dat eiser in vreemdelingenbewaring verblijft, ondanks de lp-aanvraag op 22 juli 2026, een telefonisch rappel op 30 juli 2026 en een schriftelijk rappel op 20 augustus 2026, geen enkele progressie geboekt om tot een uitzetting van eiser te komen. Gelet op het uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten na die twee rappels, is niet te verwachten dat zij in de toekomst zullen reageren.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Algerije in het algemeen, of in het bijzondere geval van eiser, is komen te ontbreken. Dat de Algerijnse autoriteiten sinds eisers lp-aanvraag op 22 juli 2026 en het laatste rappel van 20 augustus 2026 nog niet hebben gereageerd, betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen verstrekken. Verweerder moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaat zicht op uitzetting en eveneens wordt er voldaan aan actieve inspanningen voor de voorgenomen uitzetting. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook de ambtshalve toetsing leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment in de te beoordelen periode onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.