ECLI:NL:RBDHA:2026:25558

ECLI:NL:RBDHA:2026:25558

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-06-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer NL25.163
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Guinee, Werkinstructie 2024/6, de minister heeft het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht, beroep op traumatabeleid kan niet slagen omdat de gestelde traumatische gebeurtenis ongeloofwaardig is, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.163

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),

en

(gemachtigde: mr. J. Isibor).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Guinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1999. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

5. De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Guinee heeft verlaten na een incident waarbij zijn vader door de politie is vermoord. Eiser heeft verklaard dat er op 4 augustus 2016 een demonstratie plaatsvond, waarbij een aantal demonstranten de woning waar eiser met zijn vader woonde is ingevlucht. De politie heeft deze demonstranten gevolgd en probeerde één van de demonstranten te verkrachten. Eisers vader probeerde dit tegen te houden, waarna hij door de politie werd neergeschoten. Eiser is daarop het huis uitgerend en is, vanwege zijn angst om ook gedood te worden, direct uit Guinee gevlucht door in een vrachtwagen te stappen die hem naar [plaats] bracht. Eisers broer en moeder zijn omgekomen bij een demonstratie in september 2009. Dit was voor eiser echter niet de directe reden om Guinee te verlaten.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

8. De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste en tweede asielmotief geloofwaardig zijn. Het derde asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. Ten aanzien van het derde asielmotief werpt de minister aan eiser tegen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard op belangrijke punten. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat er vijf demonstranten kwamen schuilen, terwijl hij in het aanvullend gehoor verklaarde dat het om vier demonstranten ging. Ook verklaarde eiser tijdens het nader gehoor dat er zes politiemannen binnenkwamen, terwijl eiser in het aanvullend gehoor verklaarde dat hij de politiemannen niet heeft geteld. Verder werpt de minister tegen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het derde asielmotief. De minister vindt het niet logisch dat de politieagenten eiser niet hebben meegenomen toen zij uit de woning vertrokken. Immers, volgens de verklaringen van eiser dachten zij dat eiser bij de groep demonstranten hoorde en was eiser getuige van hun gedrag tijdens de schietpartij. Ook vindt de minister het ongerijmd dat eiser geen inschatting kan geven van hoe lang de politiemannen in de woning waren. Verder werpt de minister tegen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is overleden bij het schietincident. Ten slotte werpt de minister tegen dat eiser ongeloofwaardig heeft verklaard over de manier waarop hij is gevlucht. Eiser heeft namelijk tegenstrijdig verklaard over zijn vertrek met de vrachtwagen. Daarnaast vindt de minister het niet aannemelijk dat eiser zonder enige voorbereiding in een vrachtwagen is gestapt die hem toevallig naar [plaats] bracht.

9. De minister heeft de geloofwaardige asielmotieven beoordeeld op zwaarwegendheid. In dit kader stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

Werkinstructie 2024/6

10. Eiser voert, onder verwijzing naar de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025 aan dat Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht en dat de minister deze werkinstructie daarom ten onrechte heeft toegepast. Bovendien had de minister volgens eiser de oude Werkinstructie 2014/10 moeten toepassen. Dat de nieuwe Werkinstructie 2024/6 geldig was ten tijde van het bestreden besluit, komt immers doordat de minister de beslistermijn ruimschoots heeft overschreden.

11. De rechtbank stelt voorop dat de meervoudige kamer op 10 juni 2025 uitspraak heeft gedaan over de verenigbaarheid van Werkinstructie 2024/6 met het Unierecht. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 7.1, 7.2 en 7.3 van die uitspraak en neemt deze overwegingen over. Kortgezegd heeft de rechtbank in de uitspraak van 10 juni 2025 overwogen dat er geen grond is om te oordelen dat toepassing van Werkinstructie 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. In elke afzonderlijke asielzaak moet worden beoordeeld of de toepassing van WI 2024/6 onrechtmatig is geweest.

12. De rechtbank zal dus in deze asielzaak van eiser, aan de hand van de aangevoerde

beroepsgronden, toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en of voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas (gedeeltelijk) ongeloofwaardig is. Voor

zover eiser in beroep heeft aangevoerd dat toepassing van Werkinstructie 2024/6 per

definitie in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank eiser daarin dus niet.

13. Voor zover eiser aanvoert dat de minister de oude Werkinstructie 2014/10 had

moeten toepassen omdat het aan de termijnoverschrijding van de minister te wijten is dat de

nieuwe Werkinstructie 2024/6 van toepassing was ten tijde van het bestreden besluit,

overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak volgt dat als uitgangspunt geldt dat

de minister bij zijn beoordeling moet uitgaan van het beleid zoals dat geldt ten tijde van het

nemen van het besluit. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing

van het nieuwe recht in een ongunstigere positie komt, of dat in onderhavige zaak het geval

is daargelaten, is een onvoldoende (bijzondere) omstandigheid om van dit uitgangspunt af te

wijken. Eiser heeft verder ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die

aanleiding geven om af te wijken van het nieuwe beleid. De beroepsgrond slaagt niet.

Trauma

14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om bij zijn beoordeling te betrekken dat eiser een trauma heeft opgelopen toen hij zag hoe zijn vader werd doodgeschoten. De minister heeft miskend dat deze traumatische gebeurtenis het geheugen van eiser en zijn vermogen om samenhangend en aannemelijk te verklaren, negatief heeft beïnvloed. Ter onderbouwing van het trauma heeft eiser een GZA-dossier en een e-mail van een traumaexpert overgelegd.

15. De rechtbank is van oordeel dat de minister het gestelde trauma van eiser niet bij zijn beoordeling heeft hoeven betrekken. Uit het overgelegde GZA-dossier blijkt niet dat er een officiële diagnose is gesteld dat eiser getraumatiseerd is. Daarnaast beschrijft de traumaexpert in haar e-mail enkel in algemene zin hoe een traumatische ervaring het geheugen kan beïnvloeden. Hier heeft geen onderzoek naar eiser aan ten grondslag gelegen. Ook heeft de traumadeskundige geen inzage gehad in de gehoorverslagen. Anders dan eiser betoogt, onderbouwen de overgelegde stukken zijn gestelde trauma dus niet. Ook is uit de gehoorverslagen en het medisch advies niet gebleken dat eiser beperkt was in zijn vermogen om te verklaren. Bovendien zal de rechtbank hierna tot het oordeel komen dat de minister de gestelde traumatische gebeurtenis ongeloofwaardig heeft mogen vinden. De beroepsgrond slaagt niet.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

16. Eiser voert aan dat de minister het derde asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal demonstranten en het aantal politieagenten en dat eiser geen inschatting kon geven van hoe lang de politie in de woning is geweest, komt door het trauma van eiser. De minister heeft dit miskend. Daarnaast is het standpunt van de minister, dat het niet logisch is dat de politieagenten eiser niet hebben meegenomen, niet gemotiveerd. Ten aanzien van het standpunt van de minister dat eiser het overlijden van zijn vader niet aannemelijk heeft gemaakt, betoogt eiser dat hij zelf heeft waargenomen dat de situatie van zijn neergeschoten vader dusdanig erg was, dat er geen twijfel mogelijk was over het feit dat hij was overleden. Ten slotte stelt eiser dat zijn vlucht in de vrachtwagen naar [plaats] niet de kern van zijn asielrelaas raakt. De minister hecht dus ten onrechte veel waarde aan de verklaringen van eiser op dit punt. Bovendien heeft de minister op dit punt niet goed doorgevraagd tijdens het nader gehoor.

17. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het derde asielmotief ongeloofwaardig is. Zoals hiervoor onder 15 overwogen, heeft de minister het gestelde trauma van eiser niet bij zijn beoordeling hoeven te betrekken. De minister heeft daarom terecht aan eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal demonstranten en het aantal politieagenten, en dat eiser geen tijdsindicatie heeft kunnen geven. Ook de tegenwerping van de minister dat het niet logisch is dat de politieagenten zijn vertrokken zonder eiser, kan de rechtbank volgen. Immers, uit de verklaringen van eiser blijkt dat de politieagenten achter de demonstranten aan zaten. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser dat de politieagenten dachten dat eiser een demonstrant was. Gelet hierop, heeft de minister het onlogisch kunnen vinden dat de politieagenten zouden zijn vertrokken zonder eiser te arresteren. Ten aanzien van het overlijden van de vader van eiser, overweegt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft zijn waarneming niet nader toegelicht, waardoor onduidelijk is gebleven hoe eiser wist dat zijn vader niet meer leefde. Eiser heeft verklaard dat hij direct is gevlucht nadat de politieagenten zijn vader hadden beschoten. Op de vraag hoe hij wist dat zijn vader het schot niet had overleefd, heeft eiser verklaard dat hij zijn vader op de grond zag vallen en bloeden. Eiser heeft met deze verklaring niet aannemelijk gemaakt dat zijn vader is overleden. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen over zijn vlucht uit Guinee niet aannemelijk zijn. De minister heeft het niet aannemelijk kunnen vinden dat eiser zonder enige voorbereiding direct vanuit zijn woning waar het incident plaatsvond, in een vrachtwagen is gestapt die hem naar [plaats] bracht. Het betoog van eiser, dat deze verklaringen niet de kern van zijn asielrelaas raken en daarom niet mogen worden tegengeworpen, volgt de rechtbank niet. De vlucht naar aanleiding van de confrontatie met de politie is een onderdeel van het asielrelaas. De minister heeft daarom terecht overwogen dat het afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas als deze verklaringen niet aannemelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Traumatabeleid

18. Eiser voert aan dat hij een geslaagd beroep kan doen op het traumatabeleid, zoals bedoeld in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

19. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een beroep op het traumatabeleid niet kan slagen, aangezien de gestelde traumatische gebeurtenis ongeloofwaardig is geacht. De beroepsgrond slaagt niet.

Referentiekader

20. Op de zitting voerde eiser, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 maart 2024, aan dat de minister het referentiekader van eiser niet kenbaar heeft meegewogen bij zijn beoordeling.

21. De rechtbank constateert dat eiser niet concreet heeft gemaakt op welke punten onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader en welke aspecten van zijn referentiekader daarbij van belang zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het referentiekader van eiser ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn besluitvorming. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat geen gelijk heeft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 29 juni 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand