RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder(gemachtigde: mr. I.M.J. Weda).
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.44309
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het onderzoek op 18 augustus 2026 gesloten.
Verweerder heeft bij bericht van 24 augustus 2026 de rechtbank in kennis gesteld dat eiser op 7 augustus 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft op 24 augustus 2026 het onderzoek heropend en de gemachtigde verzocht kenbaar te maken wanneer het laatste contactmoment met eiser heeft plaatsgevonden.
De gemachtigde heeft bij berichten van 28 augustus 2026 en 31 augustus 2026 de rechtbank laten weten dat eiser hem op 25 augustus 2026 heeft verteld dat hij Nederland heeft verlaten.
De rechtbank heeft het onderzoek op 31 augustus 2026 gesloten. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
3. Bij bericht van 24 augustus 2026 en 31 augustus 2026 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser verzocht om kenbaar te maken wanneer hij voor het laatst in contact is geweest met eiser. De gemachtigde van eiser heeft op 28 augustus 2026 en 31 augustus 2026 laten weten dat hij op 25 augustus 2026 van eiser heeft vernomen dat hij Nederland heeft verlaten en dat hij geen mandaat heeft gekregen om de procedure in te trekken. Daarbij verzoekt de gemachtigde om de zaak zonder zitting af te doen. Nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken en de gemachtigde van eiser te kennen heeft gegeven dat eiser Nederland heeft verlaten, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van concrete aanknopingspunten als bedoeld in rechtsoverweging 2. Gesteld noch gebleken is dat eiser contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure en of er een goede reden is waarom hij Nederland heeft verlaten. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat eiser geen prijs meer stelt op de aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland en een inhoudelijke behandeling van het beroep.
4. Het beroep is vanwege het ontbreken van procesbelang kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.