RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster], verzoekster,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.2951
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 24 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft dit bezwaar met het besluit van 26 november 2024 gegrond verklaard.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Voor een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster op grond van dit artikel is vereist dat verweerder aan verzoekster tegemoet is gekomen. Uit het dossier volgt dat de aanvraag in bezwaar is omgezet van ‘verblijf op grond van artikel 8 EVRM’ naar ‘verblijf bij partner’ en waarbij pas in bezwaar aan alle voorwaarden voor verlening van een vergunning is voldaan. Het bezwaar is vervolgens als gevolg van die omzetting en het voldoen aan alle voorwaarden van die vergunning in de bezwaarfase gegrond verklaard. Hieruit kan worden afgeleid dat het primaire besluit niet onrechtmatig was. Van een tegemoetkoming door verweerder is daarom geen sprake. Om die reden zal het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster worden afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.