[naam], verzoeker,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Inleiding
1. De minister heeft de asielaanvraag van verzoeker met het besluit van 9 april 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met het beroep, op 26 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. E. Uiterwaal als waarnemer voor de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen, en was de partner van verzoeker aanwezig.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.