RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.42295
V-nummer: [nummer]
mede namens haar minderjarige kinderen,
(gemachtigde: mr. A. Heida),
en
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL26.42296.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 18 augustus 2026 geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen. Bij bericht van 20 augustus 2026 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Op 20 augustus 2026 heeft eiseres op verweerders standpunt gereageerd. Vervolgens heeft verweerder op 24 augustus 2026 hierop gereageerd. De rechtbank heeft op 24 augustus 2026 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1980 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij heeft in Nederland op 7 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 2 maart 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend dat op 19 februari 2021 is afgewezen. Gelet op de beschikbare informatie heeft verweerder de Duitse autoriteiten op 30 maart 2026 verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 31 maart 2026 hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek geaccepteerd.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvraag.
3. De beroepsgrond van eiseres dat de verantwoordelijke lidstaat niet is bepaald aan de hand van de Dublinverordening, slaagt niet. In artikel 84, tweede lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMbV) is de volgende overgangsmaatregel neergelegd: “Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.” De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat vermeld dat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiseres op 2 maart 2016 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat dit is afgewezen. Volgens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening is Duitsland daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de aanvraag van eiseres. Gelet op het voorgaande berust het claimakkoord dan ook op de in de Dublinverordening genoemde verantwoordelijkheidscriteria.
4. Ten aanzien van de beroepsgrond dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat sprake is van (indirect) refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in Duitsland geen kosteloze rechtsbijstand wordt verleend, niet leidt tot de conclusie dat sprake is van aan het systeem gerelateerde structurele tekortkomingen. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588). Hierin heeft de Afdeling (onder meer) geoordeeld dat de Duitse praktijk rondom de toegang tot rechtsbijstand niet leidt tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Verweerder mag op dit punt dus nog steeds uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Duitsland.
5. Toch is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
6. Verweerder heeft op 30 maart 2026 de Duitse autoriteiten verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 31 maart 2026 hebben de Duitse autoriteiten het terugnameverzoek geaccepteerd. Op 1 april 2026 hebben de Duitse autoriteiten daarnaast het volgende verzoek aan verweerder gericht: “Also they ask you to please send transfer details at least 6 weeks in advance, since the family shall be deported by supervised departure to their country of origin right after the transfer.” Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat eiseres in Duitsland een nieuwe asielaanvraag kan indienen en dat de Duitse autoriteiten op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel aan de Procedureverordening (inclusief grensprocedure) zijn gebonden en daarom een actuele refoulementbeoordeling dienen te maken voordat een eerder opgelegd terugkeerbesluit wordt uitgevoerd. De rechtbank is echter van oordeel dat gelet op hetgeen de Duitse autoriteiten in hun bericht van 1 april 2026 hebben verzocht, er niet zonder meer van kan worden uitgegaan dat eiseres na overdracht aan Duitsland die mogelijkheid zal krijgen. Uit het bericht van 1 april 2026 volgt immers dat eiseres en haar minderjarige kinderen na hun overdracht aan Duitsland direct (“right after”) onder begeleiding naar hun land van herkomst zullen worden uitgezet. De enkele stelling van verweerder dat het bericht van 1 april 2026 niet maakt dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, acht de rechtbank onvoldoende. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door niet bij de Duitse autoriteiten te informeren hoe het bericht van 1 april 2026 zich verhoudt tot de asielaanvraag van eiseres in Nederland, ook niet nadat daar door de rechtbank tijdens de zitting om is verzocht, en daarbij niet de garantie te vragen dat eiseres daadwerkelijk bij aankomst in Duitsland een asielaanvraag zal kunnen indienen. Dit klemt temeer omdat eiseres vier minderjarige kinderen bij zich heeft, waarvan de jongste pas één jaar oud is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Conclusie en gevolgen
7. Op grond van wat hiervoor is overwogen is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal opnieuw op de aanvraag van eiseres moeten beslissen, waarbij hij rekening dient te houden met deze uitspraak.
8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.