RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.49873
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en
(gemachtigde: mr. R. Hopman).
Procesverloop
Met het besluit van 12 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om een schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd op 1 september 2026.
Verweerder heeft op 2 september 2026 een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 2 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van vreemdelingenbewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 augustus 2026 volgt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het sluiten van dat onderzoek op 30 juli 2026.
4. Eiser voert aan dat niet langer sprake is van zicht op uitzetting van eiser binnen een redelijke termijn. Verweerder heeft gedurende de tweeënhalve maand dat eiser in vreemdelingenbewaring verblijft, ondanks de lp-aanvraag op 22 juni 2026, vier schriftelijke rappels en een telefonische rappel, geen enkele progressie geboekt om tot een uitzetting van eiser te komen. Gelet op het uitblijven van een reactie van de Algerijnse autoriteiten na deze rappels, is niet te verwachten dat zij in de toekomst zullen reageren. Verder is in het laatste vertrekgesprek van eiser op 20 augustus 2026 gebruik gemaakt van een Syrische tolk, in plaats van Algerijns. Dit gesprek is niet overgedaan met een juiste tolk, waardoor sinds het vertrekgesprek van 20 juli 2026 geen vertrekgesprek meer heeft plaatsgevonden. Verweerder handelt hiermee onvoldoende voortvarend aan eisers uitzetting.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Algerije in het algemeen, of in het bijzondere geval van eiser, is komen te ontbreken. Dat de Algerijnse autoriteiten sinds eisers lp-aanvraag op 22 juni 2026 en het laatste rappel van 20 augustus 2026 nog niet hebben gereageerd, betekent niet dat er geen lp zal worden verstrekt. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat ook aan ongedocumenteerde vreemdelingen door de Algerijnse autoriteiten lp’s worden verstrekt. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Verweerder moet voorlopig in de gelegenheid worden gesteld om een antwoord af te wachten. Er bestaat zicht op uitzetting.
6. Ook wordt door verweerder voldaan aan actieve inspanningen voor de voorgenomen uitzetting. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het primair op de weg van eiser ligt om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen en is het eisers verantwoordelijkheid om het vertrek naar zijn land van herkomst mogelijk te maken. Eiser heeft tot op heden geen documenten overgelegd en niet is gebleken dat hij hiertoe enige inspanning heeft verricht. Verweerder is daarom afhankelijk van het onderzoek dat door de Algerijnse autoriteiten wordt verricht. Door herhaaldelijk te rappelleren aan de Algerijnse autoriteiten en opnieuw een vertrekgesprek te voeren met eiser op 20 augustus 2026 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de te toetsen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
7. Ten aanzien van het vertrekgesprek op 20 augustus 2026 is gebleken dat er weliswaar sprake was van een andere tolk dan aangevraagd, maar niet is gesteld of gebleken dat de communicatie daardoor onvoldoende was of hetgeen in het vertrekgesprek is weergegeven geen juiste weergave zou zijn van het gehouden gesprek.
8. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.