[eiseres], geboren op [geboortedag 1] 2009, eiseres
en
[eiser], geboren op [geboortedag 2] 2011, eiser
beiden van Marokkaanse nationaliteit,
hierna samen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A.S. Touserkani),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. G. Erdal).
Inleiding
1. [referente] (referente) heeft op 22 oktober 2025 namens haar kinderen, eisers, een aanvraag voor een mvv ingediend, met als verblijfsdoel: ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
Op 19 december 2025 heeft de minister de mvv-aanvraag afgewezen (het primaire besluit).
Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk verklaard omdat hij er ten onrechte van was uitgegaan dat eisers geen gronden van bezwaar hadden ingediend. Daarom heeft de minister op 9 april 2026 een nieuw besluit genomen waarin het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond is verklaard (het bestreden besluit).
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eisers en hun gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de minister op goede gronden de aanvraag van eisers heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek definitief toe.
Achtergrond
4. Eisers zijn de kinderen van referente. Ze hebben beiden de Marokkaanse nationaliteit. Referente is getrouwd met een Nederlandse man. Haar echtgenoot stelt dat eisers nu zonder ouderlijke verzorging in Marokko verblijven en er geen familieleden in Marokko zijn die structureel voor hen kunnen zorgen. De vader van eisers bevindt zich in Spanje en heeft al elf jaar geen contact meer met eisers gehad. Dat eisers gescheiden leven van referente veroorzaakt volgens de echtgenoot van referente ernstige psychische en emotionele schade. Eisers zitten ook al ruim een jaar thuis en gaan momenteel niet naar school. Referente beschikt sinds 10 september 2025 over een verblijfsvergunning regulier voor 'Verblijf als familie- of gezinslid bij [de persoon]'. Zij wil zich nu herenigen met eisers en heeft daarom een aanvraag voor een mvv namens hen ingediend.
Besluitvorming
5. De minister heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen omdat niet aan alle voorwaarden van de verblijfsvergunning wordt voldaan. Uit de overgelegde geboorteaktes is gebleken dat referente de biologische moeder is van eisers. Eiser behoort feitelijk tot het gezin, maar dat is voor eiseres niet aangetoond. Eiseres heeft namelijk niet de 'bijlage verklaring burgerlijke staat' ondertekend. Daarnaast is niet aangetoond dat referente het ouderlijk gezag heeft over eisers. De vader van eisers heeft wel een toestemmingsverklaring ondertekend, maar dit is daartoe onvoldoende omdat er geen kopie van het identiteitsbewijs van de vader is overgelegd. Eisers dienen verder een gelegaliseerde beschikking van de rechtbank met gelegaliseerde vertaling te overleggen waaruit blijkt hoe het ouderlijk gezag is vastgelegd na de echtscheiding. Ook is niet voldaan aan de verblijfsvoorwaarde dat referente tenminste één jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven en referente valt niet onder de uitzonderingen. Er is daarnaast geen referentverklaring voor eisers opgestuurd en het aanvraagformulier is niet bevoegd ondertekend. Ook zijn de antecedentenverklaringen door referente ondertekend in plaats van door eisers. Tot slot is de afwijzing van de aanvraag niet in strijd met artikel 8 van het EVRM omdat de belangenafweging in het nadeel van referente en eisers uitvalt.
In bezwaar hebben eisers een correct ingevulde en ondertekende 'bijlage verklaring burgerlijke staat' van eiseres opgestuurd. Eisers hebben ook correct ingevulde en ondertekende aanvraagformulieren, referentverklaringen en antecedentenverklaringen opgestuurd. Deze afwijzingsgronden zijn dan ook geen onderwerp van geschil meer. Ten aanzien van de overige punten is de minister met het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Juridisch kader
6. Volgens artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb wordt een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid aan het minderjarige biologische of juridische kind van een ouder met een Nederlandse verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de ouder en onder het rechtmatige gezag van de ouder staat.
Volgens paragraaf B7/ 3.2.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan een aanvraag op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb worden afgewezen als:
-het rechtsstelsel in het land van herkomst het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stelt van toestemming van de andere ouder;
- beide ouders het gezag hebben over het kind;
- een van de ouders achterblijft in het land van herkomst; en
- de achterblijvende ouder geen toestemming verleent voor het vertrek van het kind.
Ouderlijk gezag
7. Allereerst stellen eisers zich op het standpunt dat zij ten onrechte niet zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. De toestemmingsverklaring van de vader van eisers bevat immers geen gebreken meer. De discrepantie in de geboortedatum van de vader is een kennelijke administratieve verschrijving en is inmiddels door een beëdigd tolk gecorrigeerd. Ook houdt de minister ten onrechte vast aan de wachttermijn van een jaar. Deze loopt op 7 september 2026 af. Het is onevenredig dat eisers de start van het nieuwe schooljaar missen doordat de minister vasthoudt aan de wachttermijn. Tot slot is er sprake van een objectieve belemmering om het familieleven in Marokko uit te oefenen. De echtgenoot van referent heeft namelijk als docent in Nederland een essentiële functie en het kan niet van hem worden verlangd dat hij zich buiten de Europese Unie vestigt.
De rechtbank oordeelt als volgt. Allereerst staat niet ter discussie dat referente de biologische moeder is van eisers en zij in Marokko feitelijk behoorde tot het gezin. Wel is in geschil of referente het ouderlijk gezag heeft over eisers. Zoals de minister in het primaire besluit heeft aangegeven, moet referente een gelegaliseerde beschikking van de rechtbank met gelegaliseerde vertaling overleggen waaruit blijkt hoe het ouderlijk gezag is vastgelegd na haar echtscheiding van de heer [naam]. In het bestreden besluit is er ook op gewezen dat het vereiste stuk niet is overgelegd en daarmee het ouderlijk gezag van referente nog steeds niet is aangetoond. In beroep heeft referente ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij het ouderlijk gezag heeft over eisers. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister eisers terecht niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat referente niet heeft aangetoond dat zij het ouderlijk gezag over eisers heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank overweegt ten overvloede nog het volgende. De minister heeft terecht overwogen dat de vermelding van verschillende geboortedata van de vader van eisers in de overgelegde documenten vragen oproept over zijn toestemmingsverklaring en of deze daadwerkelijk van hem afkomstig is. De rechtbank geeft referente en eisers daarom mee dat als zij een nieuwe aanvraag willen doen, zij de persoonsgegevens van de vader van eisers goed moeten onderbouwen om onduidelijkheden met betrekking tot de toestemmingsverklaring weg te nemen. Verder geeft de rechtbank de minister mee dat als er een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de minister wel gehouden is, in overeenstemming met de artikelen 3 en 12 van het IVRK, de belangen van de kinderen voorop te stellen en hen in de gelegenheid te stellen hun standpunt te geven.
Nu het beroep ongegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.