ECLI:NL:RBDHA:2026:25607

ECLI:NL:RBDHA:2026:25607

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer NL26.15281
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

BNT regulier

Uitspraak

[naam], eiseres,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend, omdat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 29 mei 2024 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek.

Eiseres heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?

2. De minister moet uiterlijk binnen 90 dagen na het ontvangen van de aanvraag beslissen. De minister heeft deze termijn met drie maanden verlengd.

3. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. Eiseres heeft de minister, na het verstrijken van deze termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld.

4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

5. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van 17 maart 2023 geoordeeld dat bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, en hier rekening mee dient te worden gehouden bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn. De Afdeling vindt de beslistermijnen die de rechtbank in de uitspraak van 17 maart 2023 aan de verschillende fasen in de besluitvorming verbindt redelijk. Dit oordeel heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2025 nogmaals bevestigd.

6. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen acht weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. Dit is anders wanneer de minister binnen deze termijn van acht weken besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een beslissing op de aanvraag nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

Welke dwangsom legt de rechtbank op?

7. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.

8. Het LOVB heeft op 21 mei 2026 een aanbeveling vastgesteld over de rechterlijke dwangsom bij beroepen wegens het niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken. Deze aanbeveling strekt ertoe tot een meer uniforme vaststelling van de rechterlijke dwangsom te komen, waarbij rekening wordt gehouden met zowel het belang van tijdige besluitvorming als met de uitvoerbaarheid van de door de rechtbank gestelde beslistermijn. De rechtbank volgt de aanbeveling van het LOVB onverkort. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 50,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister binnen acht weken een besluit moet nemen op de aanvraag, tenzij de minister binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een besluit nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd.

10. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van

A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand