RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.61873 (beroep) en NL25.4212 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
1. Eiseres komt uit Spanje. Zij heeft verzocht om vast te stellen dat zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Verweerder heeft dat verzoek niet in behandeling genomen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres niet meer in Nederland woont. Eiseres is het hiermee niet eens en heeft beroep ingesteld.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres heeft wel belang bij de vaststelling van haar verblijfsrecht. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 8 mei 2024 een verzoek ingediend om te laten vaststellen dat zij rechtmatig verblijf heeft als Unieburger, zodat haar verblijfscode wordt gewijzigd. Verweerder heeft op 8 januari 2025 medegedeeld het verzoek niet in behandeling te nemen. Met het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Bestreden besluit
3. Volgens verweerder kan een bezwaar alleen inhoudelijk worden beoordeeld als de indiener daarvan hierbij een actueel en reëel procesbelang heeft. Dit volgt uit artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). In het geval van eiseres ontbreekt het procesbelang en komt verweerder aan de inhoudelijke gronden niet toe. Het verblijfsrecht van een unieonderdaan ontstaat en vervalt van rechtswege en daarmee heeft de afgifte van een verblijfsdocument aan een unieburger louter declaratoire werking. Het verblijfsdocument EU/EER is een bevestiging van een, eventueel al eerder, van rechtswege in Nederland verkregen verblijfsrecht. Dit EU-verblijfsrecht bestaat echter alleen wanneer de aanvrager zich in Nederland bevindt, met uitzondering van het recht om tijdelijk afwezig te zijn. Zo een uitzondering is in dit geval niet gesteld en ook niet gebleken.
Uit de Basis Registratie Personen (BRP) is gebleken dat eiseres per 5 september 2024 staat geregistreerd als niet-ingezetene en daarbij is vermeld dat eiseres is vertrokken naar Spanje. Dit betekent dat het doel dat eiseres met haar bezwaar wil bereiken, namelijk de vaststelling dat eiseres hier rechtmatig verblijf heeft als unieburger zodat de verblijfscode van eiseres wordt gewijzigd, niet kan worden bereikt. Vanwege het ontbreken van procesbelang is het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk, aldus verweerder.
Beroepsgronden
4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat eiseres geen (proces)belang heeft. Het verzoek dat eiseres heeft ingediend, gaat om het vaststellen dat zij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft gehad.
Eiseres heeft bij de aangevraagde vaststelling (proces)belang, omdat zij eerder een AIO-aanvulling (aanvullende inkomensvoorziening ouderen) ingevolge de Participatiewet (Pw) van de SVB heeft ontvangen. Eiseres heeft ook procesbelang vanwege het ingestelde hoger beroep (25/1569) tegen de uitspraak van 1 juli 2025 van de rechtbank Amsterdam (AMS 24/6403). Deze procedure betreft de aanvraag van eiseres van 9 januari 2024 om een AIO-aanvulling. De SVB heeft die aanvraag afgewezen, net als het bezwaar daarover. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard omdat de IND in 2019 had vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf had.
Heeft verweerder het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Kader
5. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Oordeel rechtbank
6. Met het maken van bezwaar kon eiseres in dit geval het doel dat haar voor ogen stond, bereiken. Zij wilde bereiken dat werd vastgesteld dat zij als Unieburger rechtmatig verblijf heeft gehad in de periode dat zij in Nederland verbleef.
Verweerder voert terecht aan dat uit de Basis Registratie Personen (BRP) is gebleken dat eiseres per 5 september 2024 staat geregistreerd als niet-ingezetene en daarbij is vermeld dat eiseres is vertrokken naar Spanje. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat het doel dat eiseres met haar bezwaar wil bereiken, namelijk de vaststelling dat eiseres eerder rechtmatig als unieburger verblijf had, niet kan worden bereikt. Het klopt niet dat eiser geen belang bij het bezwaar heeft alleen omdat zij niet meer in Nederland woont. Overigens mag verweerder het bezwaar ook niet ongegrond verklaren enkel en alleen omdat eiseres niet meer in Nederland woont. Dat betekent immers niet dat zij daarvóór geen verblijfsrecht had.
De vaststelling van het verblijfsrecht is voor eiseres feitelijk van betekenis. Verwezen wordt naar de hiervoor genoemde procedure over de aanvraag in 2024 om een AIO-aanvulling. Eiseres heeft dus een financieel belang.
Eiseres heeft zich ook beroepen op een eerdere AIO-aanvulling die zij van de SVB heeft ontvangen. Uit het dossier begrijpt de rechtbank dat eiser in 2023 een AIO-aanvulling ontving. Het lijkt erop dat die AIO-aanvulling is komen te vervallen nadat zij niet meer werkte in loondienst maar bezig was te solliciteren naar ander werk. Mogelijk, zo stelt eiseres, wordt zij vanwege de vaststelling in 2019 dat zij geen rechtmatig verblijf had als unieburger verplicht om de ontvangen AIO-aanvulling terug te betalen. De rechtbank volgt niet dat de enkele mogelijkheid dat de AIO-aanvulling wordt teruggevorderd, een procesbelang oplevert. Er moet een concreet financieel risico bestaan, bijvoorbeeld dat de SVB heeft gezegd te gaan terugvorderen. Aangezien eiseres gezien het voorgaande al procesbelang heeft, maakt dit verder niet uit.
7. Verweerder heeft het beoogde doel van eiseres met haar bezwaar miskend en ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.
8. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Nu het beroep gegrond is, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek dan ook af.
Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 november 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot een betaling van € 934,- aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.