ECLI:NL:RBDHA:2026:25613

ECLI:NL:RBDHA:2026:25613

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-07-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer NL26.27893 en NL26.27894
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank vindt hierbij van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande mannen daar verbleven. De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen.

Uitspraak

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigden: mr. R. Radema en mr. G. Zwitser-Hernandez).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft eisers aanvraag met het bestreden besluit van 18 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat hij België verantwoordelijk acht hiervoor.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, ertoe strekkende dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.

De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser en eisers verzoek om een voorlopige voorziening. Zij doet dat aan de hand van de gronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening.Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.

Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft asiel aangevraagd in België, Duitsland en Zwitserland. Nederland heeft Zwitserland op 20 januari 2026 verzocht hem terug te nemen. Op 21 januari 2026 is dit verzoek afgewezen omdat Zwitserland heeft vastgesteld dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Nederland heeft vervolgens op 22 januari 2026 aan België gevraagd om eiser terug te nemen. Op 23 januari 2026 is België daarmee akkoord gegaan.

Mag verweerder ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan?

5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. Eiser voert aan dat er sprake is van aanzienlijke tekortkomingen in de opvangvoorzieningen voor alleenstaande mannen als eiser. Er is een afname van de wachtlijst voor opvangplekken maar er is voor eiser nog altijd geen zicht op opvang na overdracht. Ook blijft onduidelijk hoeveel en welke opvangplaatsen daadwerkelijk bestemd zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van de mogelijkheid tot nood-en daklozenopvang voor eiser. Noodopvangplaatsen worden vooral ingezet voor gezinnen met kinderen en tijdelijke plaatsen in de toeristische en de jeugdsector, waarvan alleen gebruik wordt gemaakt in de winter. Eiser heeft in ieder geval geen gebruik kunnen maken van deze nood- en daklozenopvang. Eiser betwist dat de verbeteringen in het Belgische opvangstelsel afdoende zijn om te spreken van een aanzienlijke verbetering en dat de Belgische autoriteiten niet langer onverschillig tegenover hun situatie staan.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij ten aanzien van België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In haar uitspraak van 25 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder stelt dat sinds die uitspraak de situatie in België voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, als eiser, is verbeterd. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten hebben inmiddels weer feitelijk toegang tot een (nood)opvangplaats in België. Ter onderbouwing daarvan heeft verweerder gewezen op informatie van de Belgische autoriteiten. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd waaruit volgt dat er extra opvangplekken zijn gerealiseerd en dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten weer opvang krijgen, dan wel in de reguliere opvang dan wel in een tijdelijke opvangplaats tot er plek is in de reguliere opvang. Verder heeft verweerder in een verweerschrift verwezen naar zijn ingediende grieven tegen een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, en verzoekt die als herhaald en ingelast te beschouwen. Verweerder benadrukt daarin dat de dalende trend op de doorstroomlijst, die de crux bleek in de jurisprudentie voor de (on)toelaatbaarheid van de overdracht, doorzet. Verder voert verweerder aan dat uit de brief van Fedasil blijkt dat de mensen op deze lijst niet zijn verstoken van opvang, maar tijdelijk gebruik kunnen maken van de opvangplaatsen in het kader van een samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het aantal personen op de doorstroomlijst is significant lager dan het aantal door Fedasil gefinancierde plaatsen. Het is dan ook aannemelijk dat een niet-kwetsbare mannelijke Dublinclaimant zich met succes kan wenden tot de humanitaire opvang in afwachting van plaatsing in het reguliere opvangnetwerk. Verder heeft verweerder een overzicht toegevoegd van Fedasil met het beeld op 1 juni 2026. Daaruit blijkt dat er op die datum 1043 personen op de doorstroomlijst staan.

Verweerder erkent dat er niet op voorhand duidelijk is hoeveel van de 2.000 plaatsen die Fedasil financiert binnen de humanitaire opvang in Brussel op enig moment daadwerkelijk beschikbaar zijn voor deze doelgroep, maar nu het aantal personen op de doorstroomlijst significant lager is dan de door Fedasil gefinancierde plaatsen en het aantal plaatsten in de humanitaire opvang niet is beperkt tot die 2.000 plaatsen en ook buiten Brussel humanitaire opvang bestaat, is het aannemelijk dat een alleenstaande mannelijke asielzoeker zich met succes kan wenden tot de humanitaire opvang in afwachting van plaatsing in het reguliere opvangnetwerk.

In de brief van Fedasil van 5 februari 2026 (hierna: de Fedasilbrief) staat, voor zover relevant, het volgende:

“In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

In de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.

Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde ‘wachtlijst’ staan, die in de praktijk een ‘doorstroomlijst’ is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.

Aangezien het aantal personen op deze ‘doorstroomlijst’ reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.”

De rechtbank is van oordeel dat de Fedasielbrief nog onvoldoende zekerheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of de asielzoekers die in heel België in de nood- en daklozenopvang zitten vanuit die tijdelijke opvang direct geplaatst kunnen worden in de reguliere federale opvang, of dat ook zij eerst via de ‘doorstroomlijst’ een plek toegewezen moeten krijgen in de extra gerealiseerde humanitaire opvangplaatsen. Dit is ook uit de nadere toelichting niet duidelijk geworden. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit. Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. De rechtbank vindt hierbij van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande mannen daar verbleven. De Fedasilbrief heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het feit dat het aantal personen op de doorstroomlijst afneemt, doet aan het voorgaande niet af. Het bestreden besluit is om die reden onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen.

7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

8. Omdat met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze proceskostenvergoeding betalen. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

- veroordeelt verweerder tot een betaling van € 934,- aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.M.T. Zoon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand