RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.48142
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van bewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft eiser op 20 augustus 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw in bewaring gesteld en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Op de zitting van 28 augustus 2026 zijn in Groningen verschenen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en een tolk. De telehoorverbinding met Schiphol, en dus eiser, kwam niet goed tot stand. Eiser had wel beeld en geluid, maar de rechtbank had alleen geluid. Vervolgens is door de rechtbank besloten om de zitting niet op deze wijze voort te zetten.
De minister heeft op 30 augustus 2026 de bewaring opgeheven, omdat op 29 augustus 2026 op de asielaanvraag van eiser is beslist.
De rechtbank heeft vervolgens het beroep op 4 september 2026 behandeld. Daarbij zijn in Groningen verschenen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
De bewaring is gebaseerd op de a-grond en de b-grond van artikel 59b, eerste lid. De a-grond is aanwezig als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb voordoen. De b-grond is aanwezig als door de bewaring de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel kunnen worden verkregen. Ook voor de b-grond geldt dat zich ten minste twee van de gronden, bedoeld in artikel 5.6, tweede lid, van de Vb moeten voordoen.
De minister stelt een vreemdeling slechts in bewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de bewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de bewaring. In het besluit tot bewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de bewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.
Te late rechterlijke toets
4. Eiser betoogt dat de rechtbank te laat uitspraak doet. Eiser is op 20 augustus 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Dit betekent dat de rechtbank uiterlijk op 3 september 2026 uitspraak moest doen. Aangezien het onderzoek pas op 4 september 2026 is gesloten, is niet voldaan aan de uiterste termijn van uitspraak doen binnen 15 dagen na oplegging van de maatregel. Dit betekent volgens eiser dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was en hij recht heeft op schadevergoeding.
5. De rechtbankstelt voorop dat ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn is bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of in uitzonderlijke omstandigheden uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw.
Verder is in artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn bepaald dat, indien de toetsing ertoe leidt dat de bewaring als onrechtmatig wordt beoordeeld, de betrokken verzoeker onmiddellijk wordt vrijgelaten. Deze bepaling in de Opvangrichtlijn is overgenomen in artikel 94, lid 6, van de Vw.
De rechtbank overweegt dat de noodzaak tot spoedige toetsing in dit geval is vervallen, omdat de maatregel inmiddels is opgeheven. De procedure kan namelijk niet meer leiden tot opheffing van de maatregel en onmiddellijke invrijheidstelling van eiser. De huidige procedure ziet daarom alleen op de afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. Dit betekent dat de beroepsgrond niet slaagt.
De aan eiser opgelegde maatregel van bewaring
6. In de maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en daarnaast met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grond).
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt.;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Voortraject
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
8. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel terecht op basis van de a-grond van artikel 59b, van de Vw is opgelegd. De minister stelt in de maatregel van bewaring terecht dat er onvoldoende zekerheid bestaat over de identiteit van eiser, omdat hij niet in bezit is van identiteitsdocumenten. Dat eisers biometrische gegevens zijn geregistreerd in Eurodac en SIS betekent nog niet dat zijn identiteit en nationaliteit vaststaan.
Ook de b-grond van artikel 59b van de Vw is terecht toegepast. Als goed gemotiveerd is dat een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat, vloeit daaruit voort dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is om gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Anders zouden die gegevens immers niet verkregen kunnen worden. De rechtbank oordeelt hierna, onder 9., dat sprake is van een risico op onttrekking.
Gronden
9. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling, dat hij in het bezit was van een paspoort, maar deze in Marokko heeft achtergelaten en dat hij zonder paspoort Europa en Nederland is binnen gereisd. Uit de verklaringen van eiser valt daarnaast op te maken dat hij zich zonder toestemming binnen de lidstaten van de Europese Unie heeft begeven. Dat eiser ter zitting stelt dat hij middels een claim in vanuit Zwitserland, Nederland is ingereisd en dat hij hierdoor legaal met behulp van de autoriteiten zou zijn ingereisd, maakt dit niet anders. Deze grondslag is namelijk feitelijk juist. Grond b is eveneens feitelijk juist. Eiser heeft op 16 juni 2026 een afwijzende beschikking ontvangen en heeft tot dusver geen opvolging gegeven aan het aan hem opgelegde besluit. De rechtbank volgt de stelling van eiser niet dat deze grond niet feitelijk juist is omdat hij deze beschikking niet heeft ontvangen. In het dossier zit een ‘rapport van bevindingen’. Daaruit volgt dat het terugkeerbesluit niet aan eiser kon worden uitgereikt, omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken. Het terugkeerbesluit is daarom ter inzage gelegd op de locatie Ter Apel en de melding van de terinzagelegging is opgehangen op de daarvoor bestemde plek. Dit is in overeenstemming met het wettelijke vereiste van artikel 3:41, tweede lid van de Awb en het beleid dat is neergelegd in paragraaf C1/6.1 van de Vc. Daarmee is het terugkeerbesluit op juiste wijze bekendgemaakt. Ook grond c is feitelijk juist. Eiser heeft tot op heden geen identificerende documenten overgelegd. Daarnaast is eiser in het bezit van een paspoort, die hij in Marokko heeft achtergelaten. Tot dusver heeft hij het originele document niet overgelegd, noch een poging hiertoe ondernomen, noch een kopie hiervan overgelegd. Tot slot zijn grond r en s feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en afhankelijk is van het leefgeld en opvang van het COa. De minister heeft voor de laatste twee gronden eveneens het bestaan van een onderduikrisico gemotiveerd.
10. De minister heeft grond p en q tijdens de zitting laten vallen. De rechtbank laat grond o verder onbesproken, omdat de overige hiervoor besproken gronden voldoende zijn om de maatregel te kunnen dragen.
Lichter middel
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven. Dat eiser stelt dat hij nog in de asielprocedure zat, recht had op opvang, in het AZC verbleef en zich daar hield aan de meldplicht, maakt niet dat er had moeten worden volstaan met een lichter middel. Uit het dossier en de verklaringen van eiser blijkt immers dat hij na het indienen van zijn eerste asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zich naar Spanje heeft begeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de medische omstandigheden van eiser, dat hij last zou hebben van zijn rug, dat hij middelen zoals pregabaline, nivotrine, en alcohol gebruikt en recent op 19 augustus 2026 een suïcidepoging heeft ondernomen, voldoende heeft betrokken bij de oplegging van de maatregel. De minister heeft eiser gewezen op de beschikbare medische faciliteiten en voorzieningen binnen het detentie- en uitzetcentrum. In dit verband heeft de minister terecht gesteld dat de medische zorgverlening binnen deze centra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
13. Voor zover eiser meent dat hij detentieongeschikt is, oordeelt de rechtbank als volgt. Van detentieongeschiktheid is pas sprake als vaststaat dat de in detentie beschikbare medische zorg in het geval van de vreemdeling niet toereikend is. Ook kan sprake zijn van detentieongeschiktheid als is aangetoond dat de vreemdeling niet in staat is de inbewaringstelling op verantwoorde wijze te ondergaan of wanneer zijn psychische omstandigheden in detentie door gebrek aan medische zorg verslechteren. De rechtbank stelt vast dat eiser niet met stukken heeft aangetoond dat van (één van) die omstandigheden in zijn geval sprake is.
14. Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarend handelen
15. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting. De handelingen die de minister wel moet verrichten zien op de afhandeling van de asielaanvraag. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De rechtbank stelt vast dat er op 26 augustus 2026 een asielgehoor met eiser heeft plaatsgevonden en op 29 augustus 2026 heeft eiser de afwijzende beslissing op zijn asielaanvraag ontvangen. Dit is voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
16. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie en gevolgen
17. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.