RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.50455
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 28 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 4 september 2026 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zal onderduiken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
- b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen inhoudelijk niet heeft betwist. Grond b is feitelijk juist. Op 4 mei 2026 is er door verweerder een besluit genomen tot vaststelling van het onrechtmatig verblijf. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat hij Nederland binnen één maand dient te verlaten. Dit besluit is in persoon op 5 mei 2026 aan eiser overhandigd. Hieruit volgt de plicht van eiser om Nederland te verlaten en niet is gebleken dat hij hieraan uit eigen beweging gevolg heeft gegeven. Ook de gronden r en s zijn feitelijk juist. Waarbij verweerder afdoende gemotiveerd heeft dat deze ook leiden tot een risico op onderduiken. Deze gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De overige gronden behoeven geen verdere bespreking.
4. Eiser voert aan dat hij heeft voldaan aan zijn vertrekplicht en dat hij zich nog in zijn vrije termijn bevond. Er is volgens eiser niet gebleken van een nieuw bevel tot terugkeer. Verweerder acht het besluit van 4 mei 2026 en de daarin vermelde verplichting om Nederland te verlaten nog geldig, omdat eiser nog geen verblijf in Polen heeft opgebouwd.
De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft voldaan aan het verwijderingsbesluit van 4 mei 2026 en daarmee zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele feit dat eiser meerder keren is uitgezet naar Polen is onvoldoende om te spreken van een daadwerkelijke en effectieve beëindiging van het verblijf in Nederland. Verweerder wijst er terecht op dat eiser sinds het besluit van 4 mei 2026 meermaals is uitgezet en telkens op zeer korte termijn weer terugreist naar Nederland. Uit zijn verklaringen blijkt geenszins dat eiser een verblijf in Polen heeft opgebouwd. Voor zover eiser hiermee beoogd grond b van de maatregel te betwisten dan slaagt deze grond vanwege het zojuist genoemde niet.
5. Tenslotte betoogt eiser dat de maatregel niet (meer) doeltreffend is. Eiser vormt geen gevaar voor de openbare orde zodat het doelmatiger is om hem naar een andere EU-lidstaat te laten vertrekken zoals hij wil of naar de Verenigde Staten, dan hem in bewaring te stellen wetende dat hij zo weer terug zal zijn. Volgens verweerder raakt dit betoog de rechtmatigheid van de maatregel niet en is het niet aan verweerder om alternatieve verblijfplaatsen te onderzoeken.
De rechtbank overweegt dat de redenen voor de noodzaak tot meerdere periodes van vreemdelingenbewaring en uitzetting gelegen is in de keuze van eiser zelf om telkens na korte periodes terug te keren naar Nederland. Dit komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarbij heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat uit de gronden een onderduikrisico volgt en in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan vreemdelingenbewaring doeltreffend konden worden toegepast om dit risico te ondervangen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.