RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL26.49893
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister (gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2026 heeft de minister aan eiser, die de Amerikaanse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedag] 1970, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser (samen met mr. C.M.F.M. van Rijckevorsel), M. Mardo als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
Toetsingskader
3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.2 De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.3 Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.4 De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.5
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring. Eiser weet dat hij moet vertrekken, maar hij heeft nog wat tijd nodig om wat zaken te regelen en in de tussentijd wil eiser bij zijn vrouw verblijven. Zijn vrouw heeft ernstige epilepsie en is afhankelijk van zijn zorg, met name in de nachten. Eiser wijst in dat verband ook op de ingebrachte verklaring van huisarts [naam] van [bedrijf]. Verder wijst eiser erop dat hij traceerbaar is, hij verblijft met zijn vrouw op een boot in een [locatie 1] aan de [locatie 2]. Juist vanwege de zorg voor zijn vrouw heeft eiser geen enkele intentie om onder te duiken.
Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.6
De rechtbank is van oordeel dat de minister in dit geval onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de maatregel verklaard dat hij voor zijn vrouw moet zorgen, omdat zij steeds zieker wordt en elk moment een (epileptische) aanval kan krijgen. De ouders van zijn vrouw waren tijdelijk in Nederland om voor haar te zorgen, maar volgens eiser zijn zij vertrokken op de dag van de inbewaringstelling en moet hij nu weer voor haar zorgen. Naar het oordeel van de rechtbank had de minister in die verklaringen al aanleiding moeten zien om onderzoek te doen naar de vraag in hoeverre eisers vrouw afhankelijk was van zijn zorg. De minister heeft dat niet gedaan. In het gehoor heeft eiser op verschillende momenten verklaard dat hij zorgt voor zijn zieke vrouw, maar de minister heeft hier op geen enkel moment op doorgevraagd en heeft daarover in de maatregel slechts overwogen dat eiser al ruim een jaar de tijd heeft gehad om te vertrekken, dat eisers vrouw bij verschillende instanties heeft verklaard samen met eiser te willen vertrekken en dat eisers vrouw zelf ook geen stappen heeft ondernomen om te vertrekken. Hiermee heeft de minister op geen enkele manier inzichtelijk gemaakt of hij heeft onderzocht in hoeverre eisers zorg voor zijn vrouw noodzakelijk was, in afwachting van hun vertrek naar de Verenigde Staten. De rechtbank wijst in dat verband ook op de verklaring van huisarts [naam] van [bedrijf], op 25 augustus 2026 per e-mail verstuurd naar mr. C.M.F.M. van Rijckevorsel, de raadsman van eisers vrouw. Hieruit volgt dat eisers vrouw ernstige onbehandelbare epilepsie heeft en dat zij ondanks maximale medicamenteuze ondersteuning persisterend aanvallen heeft. Volgens de huisarts is na het wegvallen van eiser (in verband met strafrechtelijke detentie) met enkele veldwerkorganisaties getracht het wegvallen van zijn steun en toezicht op te vangen, maar deze inspanning schiet heden al tekort (cursivering door de rechtbank) en is bovendien voor deze partijen niet vol te houden. Eisers vrouw heeft meerdere keren per maand aanvallen waar zij soms medicatie voor toegediend dient te krijgen om haar er op tijd uit te halen en er is geen sprake van een verder steunsysteem (cursivering door de rechtbank). Volgens de huisarts is de aanwezigheid van eiser onmisbaar voor haar rust en veiligheid. Indien de minister zich had vergewist van zijn onderzoeksplicht had hij zich voorafgaand aan de inbewaringstelling eenvoudig op de hoogte kunnen laten stellen van deze omstandigheden. Dat heeft de minister nagelaten. De minister heeft dus onvoldoende kennis vergaard en heeft daarom in de maatregel onvoldoende kenbaar gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Eisers beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
6. Vanwege het motiveringsgebrek is het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring gegrond. De maatregel is vanaf het moment van het opleggen
daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van 4 september 2026. Wat eiser verder heeft aangevoerd hoeft daarom niet te worden besproken.
Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor negen dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 1 x € 160,- (verblijf in de politiecel) en 8 x € 120,-(verblijf in het detentiecentrum) = € 1.120,-.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
D.P. van Middelkoop, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
04 september 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.