RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40730
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.C. Gelok),
en
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. De minister heeft deze afwijzing in de beschikking op bezwaar gehandhaafd. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat eiser in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023 niet een formeel beperkt verblijfsrecht had. Verder komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft uitgelegd waarom de uitvoering en toepassing van het beleid na 2023 is aangepast, en dat de minister onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel. Tot slot heeft de minister eiser ten onrechte niet gehoord in de bezwaarprocedure. Daarom bevat het bestreden besluit motiverings- en zorgvuldigheidsgebreken en vernietigt de rechtbank dat besluit. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent de minister opnieuw op het bezwaar van eiser dient te beslissen.
Inleiding en procesverloop
Eerdere vergunningen en procedures
2. Aan eiser is een verblijfsvergunning regulier verleend met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij S. [naam 2] ’, geldig van 15 november 2016 tot 15 november 2021. In 2017 is S. [naam 2] bevallen van een dochter. De relatie tussen eiser en mevrouw [naam 2] is in november 2019 verbroken. Om die reden is de verblijfsvergunning vanaf 25 november 2019 gewijzigd in een vergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf bij kind op grond van artikel 8 EVRM’, geldig tot 25 november 2024.
Eiser heeft op 21 november 2023 een eerste aanvraag ingediend voor een
EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Met het besluit van 30 januari 2024, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 2 juli 2024, heeft de minister deze aanvraag afgewezen.
Met het besluit van 8 januari 2024, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van
13 juni 2024, heeft de minister de verblijfsvergunning regulier van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 20 oktober 2023, nadat uit verwantschapsonderzoek was gebleken dat eiser niet de biologische vader was van de in 2017 geboren dochter. Eiser heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 13 juni 2024 in rechte vast.
Op 8 maart 2024 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier humanitair niet tijdelijk ingediend. Met het besluit van 4 juni 2024, na bezwaar gehandhaafd met het besluit van 10 maart 2025, heeft de minister deze aanvraag afgewezen. In dat besluit is aan eiser op grond van artikel 8 EVRM met ingang van 28 januari 2025 tot 28 januari 2030 een verblijfsvergunning regulier verleend met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij L. [naam echtgenote] ’, eisers huidige echtgenote. Bij uitspraak van 26 augustus 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het besluit van 10 maart 2025, met uitzondering van de opheffing van het inreisverbod, vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. Met het besluit van 19 december 2025 heeft de minister opnieuw op het bezwaar van eiser beslist.
Deze procedure
Eiser heeft op 22 april 2025 opnieuw een aanvraag ingediend voor een
EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. Met het besluit van 21 mei 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland voorafgaand aan de aanvraag. In dit besluit is ook bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 31 juli 2025 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard en van het horen van eiser in bezwaar afgezien.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 19 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op 29 december 2025 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop op 16 januari 2026 gereageerd.
De minister heeft op 18 januari 2026 op verzoek van de rechtbank een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 januari 2024 aan het dossier toegevoegd. Op 20 januari 2026 heeft eiser een aanvullende reactie op het verweerschrift gegeven.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Op 9 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak ter behandeling verwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.
Op 5 mei 2026 is namens de minister schriftelijk gereageerd op de door eiser genoemde zaken in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Op 15 mei 2026 is namens eiser hierop schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
De rechtbank heeft op 4 juni 2026 het onderzoek opnieuw heropend en partijen verzocht om een schriftelijke reactie te geven op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 29 mei 2026.
Op 17 juni 2026 is namens eiser schriftelijk gereageerd op de uitspraak van de Afdeling. Op 27 juli 2026 is namens de minister een schriftelijke reactie gegeven. Vervolgens heeft de rechtbank, nadat partijen in de gelegenheid waren gesteld aan te geven of een nadere zitting noodzakelijk was, op 12 augustus 2026 het onderzoek gesloten zonder nadere zitting.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt het besluit op bezwaar waarbij de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is gehandhaafd. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ ten grondslag gelegd dat hij voldoet niet aan de voorwaarde van vijf jaar rechtmatig verblijf in Nederland direct voorafgaand aan de aanvraag, omdat zijn verblijfsrecht onderbroken is geweest. Eiser stelt dat hij een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad en dat daarom geen sprake is van onderbroken verblijf (een verblijfsgat).
De rechtbank zet hierna eerst het wettelijk kader uiteen (onder 4 tot en met 4.1). Daarna geeft de rechtbank het standpunt van de minister weer (onder 5). Vervolgens gaat de rechtbank in op de duur van het verblijfsgat en de uitleg van het beleid (onder 6 tot en met 6.1). De rechtbank gaat daarna in op de vraag of eiser in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023 een formeel beperkt verblijfsrecht had (onder 7 tot en met 7.5). Daarnaast gaat de rechtbank in op de uitleg van het in de Vc neergelegde beleid (onder 8 tot en met 8.3). Ook gaat zij in op de vraag of het gelijkheidsbeginsel is geschonden (onder 9 tot en met 9.5). Tot slot gaat de rechtbank in op de vraag of de hoorplicht is geschonden (onder 10 tot en met 10.1).
Wettelijk kader
4. De Richtlijn langdurig ingezetenen bepaalt dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken sedert vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het desbetreffende verzoek op hun grondgebied verblijven.In de Vw is bepaald dat de status van langdurig ingezetene wordt verworven door de verlening van een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. De weigeringsgronden voor de aanvraag zijn in artikel 45b van de Vw neergelegd. Onder andere is bepaald dat de aanvraag wordt afgewezen als de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad. Een periode waarin de vreemdeling formeel beperkt verblijfsrecht heeft, wordt voor de berekening van deze vijf jaar niet meegeteld. Dit vloeit ook voort uit de Richtlijn. De periode van het formeel beperkt verblijfsrecht wordt niet meegeteld voor de noodzakelijke periode van vijf jaar rechtmatig verblijf, maar onderbreekt de periode van rechtmatig verblijf ook niet. De aanvraag voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’ wordt ook afgewezen – voor zover hier relevant – als de vreemdeling direct voorafgaand aan de aanvraag een formeel beperkt verblijfsrecht heeft.
Volgens het beleid van de minister is sprake van een formeel beperkt verblijfsrecht als:
- de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of
- de vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.
Als de IND de verblijfsvergunning vervolgens alsnog verleent, dan beschouwt de IND de periode van verblijf gedurende de bezwaar- of beroepsprocedure (achteraf bezien) niet meer als formeel beperkt verblijfsrecht.
Het standpunt van de minister
5. Volgens de minister is er sprake geweest van een onderbreking van het verblijfsrecht van eiser. Eisers verblijfsvergunning voor het uitoefenen van gezinsleven bij zijn kind is op 8 januari 2024 met terugwerkende kracht ingetrokken tot 20 oktober 2023. Op 21 november 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een ‘EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen’. Dat eiser op 2 februari 2024 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de intrekking, doet volgens de minister aan het voorgaande niet af gelet op de uitkomst. Eiser had volgens de minister in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023 geen formeel beperkt verblijfsrecht, waardoor er een verblijfsgat is.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het verweerschrift heeft gesteld dat alleen sprake was van een onderbreking in het verblijfsrecht (een verblijfsgat) in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023, terwijl de minister in het besluit nog uitging van een verblijfsgat van 20 oktober 2023 tot 28 januari 2025. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister dat desgevraagd bevestigd en toegelicht dat het standpunt van de minister in het verweerschrift een nadere motivering is van het bestreden besluit.
Verder heeft de gemachtigde van de minister op de zitting desgevraagd toegelicht dat het standpunt van de minister in het bestreden besluit over de uitleg van het beleid in paragraaf D1/2.2 van de Vc niet langer wordt gehandhaafd. De minister heeft daarmee de in het besluit opgenomen stelling laten vallen dat slechts sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht in afwachting van een besluit en dat deze periode nadat het besluit is genomen niet langer wordt beschouwd als formeel beperkt verblijfsrecht.
Oordeel van de rechtbank
Duur van het verblijfsgat en uitleg van het beleid
6. Uit het voorgaande volgt allereerst dat de minister nu uitgaat van een verblijfsgat met een kortere duur en ook een deel van de motivering van het bestreden besluit laat vallen, voor zover het gaat over de uitleg van het beleid. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is alleen daarom al gegrond. De rechtbank ziet, anders dan de gemachtigde van de minister op de zitting heeft verzocht, geen reden om de motiveringsgebreken te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Niet evident is dat eiser door deze gebreken niet benadeeld is.
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand gelaten kunnen worden op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. Zij overweegt daartoe als volgt.
Formeel beperkt verblijfsrecht
7. Eiser voert aan dat hij in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023 een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad. Hierdoor is volgens eiser geen sprake van een onderbreking van zijn verblijfsrecht. Hij verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016, en twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2023 en 24 januari 2024.
De rechtbank heeft op 4 juni 2026 aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen, omdat de Afdeling op 29 mei 2026 uitspraak heeft gedaan op het hoger
beroep tegen de door de minister aangehaalde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2025.
Eiser heeft in reactie op de uitspraak van de Afdeling gesteld dat in de uitspraak niet is uitgelegd waarom de Afdeling nu tot een ander oordeel komt dan in haar eerdere uitspraak van 23 december 2016. Verder heeft de Afdeling zonder nadere motivering geoordeeld dat de periode van het verblijfsgat, dat door intrekking met terugwerkende kracht is ontstaan, niet onder paragraaf D1/2.2 van de Vc valt. Volgens eiser moet het beleid zo worden begrepen dat ook tijdens het verblijfsgat dat door intrekking met terugwerkende kracht ontstaat, sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht. Daarnaast heeft de Afdeling ten onrechte enkel verwezen naar de punten 39 en 40 van het arrest Mangat Singh. De Richtlijn moet zo worden gelezen dat een verblijfsgat dat is ontstaan door een intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht geen onderbreking is van het legale en ononderbroken verblijf gedurende vijf jaren. Volgens eiser moet het beperkt gemotiveerde oordeel van de Afdeling niet gevolgd worden en moet de rechtbank, in geval van twijfel over de uitleg van het Unierecht, prejudiciële vragen stellen.
De gemachtigde van de minister heeft in zijn reactie gesteld dat de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2026 het standpunt van de minister bevestigt dat een periode van onrechtmatig verblijf dat door intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ontstaan, niet geldt als een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn.
De rechtbank overweegt als volgt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 29 mei 2026 overwogen dat de minister op goede gronden de verblijfsvergunningen van de vreemdelingen met terugwerkende kracht heeft ingetrokken voor de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023. De Afdeling heeft de vreemdelingen niet gevolgd in hun standpunt dat zij in die periode een formeel beperkt verblijfsrecht hadden, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn. Hiertoe heeft de Afdeling overwogen dat de vreemdelingen niet voldeden aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf en dat zij niet onder de in paragraaf D1/2.2 van de Vc genoemde gevallen vielen. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn niet volgt dat in het geval van intrekking van verblijfsrecht met terugwerkende kracht sprake is van een verblijfsrecht dat formeel beperkt van aard is. Zij heeft daartoe verwezen naar het arrest Mangat Singh van het Hof.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser in de periode van
20 oktober 2023 tot 21 november 2023 niet een formeel beperkt verblijfsrecht had als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Richtlijn. Hiertoe is van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2026 heeft geoordeeld dat de periode waarover de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken, niet geldt als een formeel beperkt verblijfsrecht. In wat eiser daartegen heeft ingebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de Afdeling in haar uitspraak heeft gedaan. Dat eiser stelt dat het oordeel van de Afdeling in haar uitspraak onvoldoende is gemotiveerd, is geen reden om het oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2026 niet te volgen. Verder biedt de jurisprudentie waar eiser naar verwijst onvoldoende grond om te oordelen dat hij in de periode in geding wél een formeel beperkt verblijfsrecht had. Van belang hierbij is dat artikel 4 van de Richtlijn bepaalt dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek op het grondgebied van de lidstaat verblijven. Eiser voldoet daar niet aan omdat hij in de periode van 20 oktober 2023 tot 21 november 2023 geen rechtmatig verblijf had als bedoeld in artikel 8 van de Vw. Het beroep van eiser op het arrest Safi van het Hof van 4 juni 2026, waarin is geoordeeld dat ouders met een geldig verblijfsrecht in een andere lidstaat van de Europese Unie óók in aanmerking kunnen komen voor een afgeleid verblijfsrecht bij hun kind (Chavez-verblijfsrecht), slaagt niet. Dat arrest gaat namelijk over de vraag wanneer iemand in aanmerking kan komen voor een afgeleid verblijfsrecht en niet over de vraag of sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht, zoals in de zaak van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof, omdat zij geen twijfel heeft over de uitleg van het Unierecht.
Het beleid in paragraaf D1/2.2 van de Vc
8. Op de zitting is het in paragraaf D1/2.2 van de Vc neergelegde beleid en de uitleg daarvan aan de orde gesteld. De rechtbank zal hieronder ingaan op de uitleg die de gemachtigde van de minister op de zitting over het beleid heeft gegeven.
Eiser meent dat de minister het beleid onjuist uitlegt en dat de minister in het verleden het beleid anders heeft uitgelegd. Eiser heeft gewezen op een drietal zaken waarin volgens hem in dezelfde situatie ook een formeel beperkt verblijfsrecht werd aangenomen (zie ook hierna onder ‘Het gelijkheidsbeginsel’). Eiser heeft daarbij ook verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Ook heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016.
Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister gesteld dat het oordeel van de Afdeling in haar uitspraak van 23 december 2016 over het standpunt van de minister niet juist is. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat de minister destijds geen vaste gedragslijn had, inhoudende dat een verblijfsgat wordt gezien als een formeel beperkt verblijfsrecht. Verder heeft de gemachtigde van de minister op de zitting gesteld dat het standpunt van de minister is gewijzigd, in die zin dat de minister niet langer het standpunt inneemt dat over een periode dat een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling van
23 december 2016 leidt de rechtbank af dat de minister destijds het standpunt innam dat de periode waarover de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken moet worden aangemerkt als een periode van formeel beperkt verblijfsrecht. De Afdeling heeft dat standpunt van de minister in die uitspraak nadrukkelijk genoemd en ook gevolgd. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister zo dat (op een gegeven moment) een omslag in de interpretatie en toepassing van het beleid door de minister heeft plaatsgevonden, terwijl het beleid zelf niet is gewijzigd. Nu de gemachtigde van de minister op de zitting daarmee heeft erkend dat sprake is van een wijziging van de uitleg en de toepassing van het beleid, kan de minister niet zonder meer worden gevolgd in het standpunt dat van een vaste gedragslijn niet is gebleken. Immers, de manier waarop het beleid wordt uitgelegd en toegepast, kan bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan een vaste gedragslijn. De rechtbank zal op de vraag of sprake is van een vaste gedragslijn nader ingaan in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting niet kunnen aangeven in hoeverre de minister het beleid vóór 2024 anders heeft toegepast en wanneer de omslag in de uitvoering en toepassing van het beleid is gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de minister daarmee op de zitting niet goed heeft uitgelegd waarom de handelwijze van de minister na 2023 onder hetzelfde beleid is gewijzigd. Als de minister op enig moment hetzelfde beleid anders uitvoert en toepast, ligt het op zijn weg om dat kenbaar te maken en uit te leggen. Dat heeft de minister niet gedaan. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek.
Het gelijkheidsbeginsel
9. In het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft eiser verwezen naar een geanonimiseerd besluit van de minister van 30 mei 2023, waarin aan een vreemdeling een EU-vergunning langdurig ingezetene is verleend. Verder heeft eiser verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 augustus 2023, waarin zij is ingegaan op het beroep op drie gelijksoortige zaken. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting toegelicht waarom de drie zaken vergelijkbaar zijn met eisers situatie.
De gemachtigde van de minister heeft in zijn reactie gesteld dat de situatie in het door eiser overgelegde besluit van 30 mei 2023 niet vergelijkbaar is met zijn geval. Verder heeft de minister gesteld dat in de door eiser aangehaalde drie zaken sprake is van een ambtelijke misslag en dat in deze zaken ten onrechte door de minister een formeel beperkt verblijfsrecht is aangenomen in de periode waarin de intrekking van een verblijfsvergunning nog niet vaststond. Daarbij heeft de gemachtigde van de minister erop gewezen dat geen sprake is van een vaste gedragslijn van de minister waarbij een in rechte vaststaande intrekking met terugwerkende kracht de opbouw van de verblijfsjaren niet onderbreekt wegens een formeel beperkt verblijfsrecht.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel dient sprake te zijn van een gelijk geval dat ongelijk wordt behandeld, zonder dat er een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het verschil in handelwijze. In dit geval moet voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel sprake zijn van vergelijkbare situaties waarin de minister wel een formeel beperkt verblijfsrecht heeft aangenomen over een periode waarin het verblijfsrecht met terugwerkende kracht was ingetrokken.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Daarvoor is het volgende van belang. De minister heeft – zo begrijpt de rechtbank – in afwijking van zijn beleid een tijd lang, in elk geval in de periode tussen 2016 en 2023, een formeel beperkt verblijfsrecht aangenomen bij een intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht, terwijl hij daar nu, in elk geval sinds 2024, anders over denkt, zonder daarvoor een deugdelijke uitleg te geven. In de door eiser genoemde zaken blijkt dat de minister nog het ‶oudeʺ standpunt heeft ingenomen, inhoudende dat de periode waarover een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht is ingetrokken geldt als een formeel beperkt verblijfsrecht. Ook in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016 heeft de minister dat standpunt ingenomen. Dat de minister nu stelt dat dat standpunt onjuist was en dat in de drie zaken zoals beoordeeld door de rechtbank Amsterdam sprake is van een ambtelijke misslag zodat ten onrechte in die zaken een formeel beperkt verblijfsrecht is aangenomen in de periode waarin de intrekking van een verblijfsvergunning nog niet vaststond, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de minister niet gehouden is om ambtelijke misslagen te herhalen, had het op zijn weg gelegen om te motiveren dat en waarom de toepassing van het beleid is gewijzigd. Daarbij had het op de weg van de minister gelegen om uit te leggen waarom in de zaken die aan die wijziging voorafgaan niet kan worden gesproken van een vaste gedragslijn. De op de zitting daarover door de gemachtigde van de minister gegeven uitleg, volstaat daartoe niet. Dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld dat geen sprake is van een vaste gedragslijn, inhoudende dat bij de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning een formeel beperkt verblijfrecht wordt aangenomen over de periode waar het verblijfsgat op ziet, leidt – gelet op wat in 8.3 is overwogen – niet tot een ander oordeel.
De rechtbank is verder van oordeel dat het door eiser genoemde besluit van 30 mei 2023 evenmin past bij de ‶nieuwe gedragslijnʺ van de minister. De uitleg die de minister in het aanvullend verweerschrift van 5 mei 2026 heeft gegeven en in dat kader de verwijzing naar het IB 2018/69, is daarvoor niet genoeg. Immers, uit de door eiser overgelegde brief uit die procedure blijkt geenszins dat de stelling van de minister in die zaak dat wel sprake is van formeel beperkt verblijfsrecht is gebaseerd op een andere nog lopende procedure, terwijl dat wel voor de hand had gelegen.
De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van ongelijke gevallen. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van een gewijzigde vaste gedragslijn.
De hoorplicht
10. Eiser voert aan dat de minister hem in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord. Er is geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiser. Van het horen mag alleen in uitzonderlijke gevallen worden afgezien. In dit geval heeft de minister eiser niet gehoord, omdat hij het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met de motivering van het primaire besluit. Gelet op wat eiser in bezwaar naar voren heeft gebracht, deed een dergelijke situatie zich niet voor. Daarmee is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.
Conclusie en gevolgen
11. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat het genomen is in strijd met artikel 3:46 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten of om zelf een beslissing te nemen, omdat sprake is van motiveringsgebreken als het gaat om de gewijzigde toepassing van het beleid en het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Omdat de hoorplicht is geschonden is daarnaast sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser. Daarbij moet de minister in acht nemen wat in deze uitspraak is overwogen.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 3.736,00. De rechtbank kent hierbij 4 punten toe met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 934,00. De rechtbank komt als volgt tot deze punten: 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 2 punten voor de aanwezigheid op de zittingen van 30 januari 2026 en 28 mei 2026. Daarnaast komt voor vergoeding van een 0,5 punt per reactie in aanmerking de reactie van eiser voor zover de rechtbank hierom heeft verzocht. Het gaat daarbij om de reactie van 15 mei 2026 op de brief van de minister van 5 mei 2026, en de reactie van 17 juni 2026 op de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2026. Ook dient de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 194,00 te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 31 juli 2025;
- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 3.736,00 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat de minister aan eiser het griffierecht van € 194,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzitter, mr. A.G.D. Overmars en mr. A. Sibma, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.