proces verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 augustus 2026 in de zaken tussen
[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,
alsmede
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep is gericht tegen het besluit van het COa van 26 april 2026. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser per 26 april 2026 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit (Awb 26/8765) en de vrijheidsbeperkende maatregel (NL26.2904) beroep ingesteld. Op 22 juli 2026 is de maatregel artikel 56 Vw opgeheven, omdat eiser heeft afgezien van opvang. Eiser heeft aangegeven dat hij de beroepen wil handhaven. Het COa heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft daarna nog een reactie gegeven op het verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van afwezigheid, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
2. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.
Overwegingen
3. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel en de plaatsing van eiser in de HTL rechtmatig waren.
4. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het beroep ontvankelijk is. Het COa stelt zich op het standpunt dat het beroep tegen het plaatsingsbesluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de gronden van beroep pas op 29 mei 2026 zijn ontvangen door het CIV. Ook zet de gemachtigde van de minister vraagtekens bij het tijdig indienen van het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, omdat de gemachtigde van eiser een leeg document had geüpload met gronden. Eiser betoogt dat hij tijdig, op 24 mei 2026 beroep heeft ingediend bij het CIV. Ter onderbouwing is een e-mail bijgevoegd aan het CIV van 24 mei 2026.
5. De rechtbank vindt beide beroepen ontvankelijk. In het dossier van de vrijheidsbeperkende maatregel (NL26.29040) zit een ontvangstbevestiging van het beroepschrift. Daaruit volgt dat het beroep is ingesteld op 24 mei 2026 om 19:27 uur. Ook zijn daarin (kort) gronden weergegeven. Dit is naar het oordeel van de rechtbank tijdig. Verder heeft de gemachtigde van eiser een e-mail aan het CIV van 24 mei 2026 overgelegd waaruit volgt dat hij beroep heeft ingesteld tegen de HTL-maatregel (Awb 26/8765). Dat de bijlage bij die e-mail met daarin het beroepschrift niet leesbaar was, maakt dit niet anders. Voldoende duidelijk is dat de gemachtigde van eiser in beide zaken beroep heeft ingesteld op 24 mei 2026. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank dat ook dit beroep tijdig is ingediend. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling.
6. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Op 24 april 2026 heeft eiser, onder invloed van alcohol, zijn kamer vernield. Eiser is daar zelf bij gewond geraakt. Tijdens het verzorgen van de wonden maakte eiser een slaande beweging richting een medebewoner. Daarna heeft eiser een EHBO koffer en glasscherven gegooid naar COa-medewerkers. Vervolgens heeft eiser een stuk glas gepakt en is daarmee op de COa-medewerkers afgelopen die vlakbij stonden. Zij voelden zich dusdanig onveilig dat zij de kamer uit zijn gerend. Ook nadat eiser zijn kamer had verlaten, vertoonde hij agressief gedrag. Hij duwde medebewoners en probeerde een COa-medewerker te slaan.
7. De rechtbank vindt dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten dat eiser in de HTL kan worden geplaatst. De rechtbank stelt voorop dat eiser de verslaglegging van het COa over het incident niet heeft betwist. De rechtbank gaat dan ook uit van deze verslaglegging. De rechtbank begrijpt dat het besluit zo moet worden opgevat dat het COa zich op het standpunt stelt dat ofwel sprake is van één incident met zeer grote impact of anders van meerdere incidenten met grote impact die een HTL-plaatsing rechtvaardigen. De rechtbank vindt dat het COa voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van meerdere incidenten met grote impact. Uit de gegevens van het COa blijkt dat eiser onder meer betrokken is geweest bij 3 keer ‘agressie en geweld tegen personen fysiek’ en 6 keer ‘agressie en geweld tegen personen verbaal’. Eiser heeft hiervoor ook verschillende ROV-maatregelen opgelegd gekregen en er zijn met hem correctiegesprekken gevoerd. Dit heeft niet tot gedragsverbetering geleid. Ook het incident op 24 april 2026 kan aangemerkt worden als een incident met grote impact. Eiser heeft namelijk agressief gedrag vertoont met als doel anderen te bedreigen. Dat eiser stelt dat hij spijt heeft van zijn gedrag, het gaat om dronkemansgedrag, hij niemand heeft aangevallen of fysiek letsel heeft toegebracht, dat er geen dreiging van eiser uitging omdat hij ernstig gewond was en hij niet is aangehouden voor bedreiging, is onvoldoende om anders te oordelen. Uit de verslaglegging van het COa volgt dat eiser doelgericht agressief gedrag vertoonde en daar ook niet mee stopte. Dat niemand daarbij gewond is geraakt, maakt zijn gedragingen en de impact daarvan niet anders. De rechtbank zal daarom in het midden laten of sprake is van één incident met zeer grote impact, omdat de meerdere incidenten met grote impact de HTL-maatregel al kunnen dragen. De beroepsgrond slaagt niet.
8. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.