ECLI:NL:RBDHA:2026:25628

ECLI:NL:RBDHA:2026:25628

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer NL26.42899 en NL26.42900
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Het gehoor van eiser is onzorgvuldig geweest, nu het voor eiser onvoldoende kenbaar was dat het gehoor betrekking had op zijn eerdere verblijf in Griekenland. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het IB 2026/1 noch uit andere informatie blijkt dat er sprake is van een verbetering voor Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Dat eiser zelfredzaam is heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/ verzoeker (hierna: eiser),

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL26.42899 (beroep) en NL26.42900 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. C. Chen),

en

(gemachtigde: mr. F. Gieskes).

1. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet-ontvankelijk verklaard door verweerder omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de aanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven, de beroepsgronden. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeeld de rechtbank het besluit.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Het gehoor van eiser is onzorgvuldig geweest, nu het voor eiser onvoldoende kenbaar was dat het gehoor betrekking had op zijn eerdere verblijf in Griekenland. Verweerder heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd dat de terugkeer van eiser naar Griekenland niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Uit het IB 2026/1 noch uit andere informatie blijkt dat er sprake is van een verbetering voor Griekse statushouders bij terugkeer naar Griekenland. Dat eiser zelfredzaam is heeft verweerder ook onvoldoende gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 20 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 26 juli 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.

Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 17 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser, de gemachtigde eiser, S. Gurgy als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiser stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben, afkomstig te zijn uit Gaza en te zijn geboren op [datum] 2003. Hij is Gaza in september 2023 ontvlucht vanwege de oorlog. Zijn huis in Gaza is verwoest en veel van zijn familieleden zijn omgekomen. Hij heeft op 30 september 2023 in Griekenland asiel aangevraagd. Die aanvraag is door de Griekse autoriteiten op 9 november 2023 ingewilligd. Aan eiser is een vluchtelingenstatus verleend. Eiser heeft een aantal maanden in Griekenland verbleven, waarna hij is doorgereisd naar verschillende andere Europese landen. Op 20 januari 2026 heeft hij asiel aangevraagd in Nederland.

Het bestreden besluit

4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw), omdat eiser in Griekenland internationale bescherming geniet. Uit Eurodac en informatie van de Griekse autoriteiten is gebleken dat eiser sinds 9 november 2023 internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, gelet op zijn asielstatus in Griekenland, een zodanige band met Griekenland heeft dat het redelijk is dat hij daarheen terugkeert. Verweerder verwacht dat eiser in Griekenland in zijn meest basale behoeftes kan voorzien, desnoods via steun van derde partijen zoals ngo's. Daarnaast neemt verweerder aan dat eiser zelfredzaam is in Griekenland, omdat hij daar heeft gewerkt, zelfstandig huisvesting heeft kunnen vinden, een netwerk heeft, geen hulp heeft gezocht bij ngo’s of maatschappelijke organisaties en een geldige verblijfsvergunning heeft. Verweerder heeft eiser het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Griekenland te gaan.

Heeft eiser internationale bescherming in Griekenland?

5. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de Griekse autoriteiten aan eiser een vluchtelingenstatus hebben verleend en dat eisers Griekse asielvergunning een geldigheidsduur heeft van 9 november 2023 tot en met 8 november 2026. Het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de stukken in het dossier, zodat daarvan kan worden uitgegaan.

Het juridische kader

6. Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is onder meer de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vw en het Vb zoals deze golden tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vw en het Vb dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.

7. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw een aanvraag tot het verlenen van een asielvergunning niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Het uitgangspunt hierbij is in het algemeen dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van een vreemdeling in een lidstaat waar hij of zij internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM (het zogenoemd interstatelijk vertrouwensbeginsel). Het is dan in beginsel aan de vreemdeling om dit vermoeden te weerleggen.

Uit het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) volgt dat de lidstaten van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren geen gebruik kunnen maken als de vreemdeling bij terugkeer naar de lidstaat die hem internationale bescherming heeft geboden, het risico loopt om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. In het arrest heeft het Hof overwogen dat, ondanks het uitgangspunt van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet kan worden uitgesloten dat statushouders in een lidstaat het risico lopen om te worden behandeld in strijd met artikel 4 van het Handvest. De tekortkomingen vallen alleen onder artikel 4 van het Handvest als ze een ‘bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid’ bereiken. Deze drempel wordt bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van de betrokken lidstaat ertoe leidt dat iemand die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn eigen wil en keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften en waardoor zijn gezondheid zou worden geschaad of zijn leefomstandigheden mensonwaardig zouden worden.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken van 28 juli 2021 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Griekenland niet zonder meer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Meer concreet kan verweerder er niet zonder meer van uitgaan dat de leefomstandigheden die statushouders bij terugkeer in Griekenland te verduren krijgen niet de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid van het arrest Ibrahim bereiken. In die uitspraken is vermeld dat een Griekse wetswijziging van maart 2020 (onder andere) tot gevolg heeft dat terugkerende statushouders niet meer in aanmerking komen voor huisvesting en toelagen, en dat de druk op voorzieningen voor statushouders is toegenomen. Hierdoor zijn duizenden statushouders dakloos geworden. Daarnaast moeten terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden wachten tot deze opnieuw wordt afgegeven waardoor zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) kunnen bemachtigen. Dit bemoeilijkt vervolgens de toegang tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeidsmarkt. De Afdeling heeft op basis hiervan in die uitspraken overwogen dat de Griekse autoriteiten weliswaar niet onverschillig staan tegenover de situatie van statushouders, maar dat zij in de praktijk vaak niet kunnen voorkomen dat statushouders in een situatie terechtkomen waarin zij niet kunnen voorzien in de belangrijkste basisbehoeften, zoals wonen, eten en zich wassen.

Naar aanleiding van deze uitspraken van de Afdeling heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de situatie van statushouders in Griekenland nader onderzocht. Op 24 juni 2022 is het eerste ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding van dit feitenonderzoek heeft verweerder in IB 2022/84 een vaste gedragslijn neergelegd op grond waarvan hij kon beoordelen of in voorkomend geval een asielaanvraag van een Griekse statushouder niet-ontvankelijk kon worden verklaard. IB 2022/84 is op 15 mei 2024 vervangen door IB 2024/31. Op 3 september 2024 is het tweede ‘verslag feitenonderzoek naar statushouders in Griekenland’ gepubliceerd. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder op 12 mei 2025 IB 2024/31 vervangen door IB 2025/20. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit IB vervolgens is vervangen door IB 2026/1, omdat in het eerdere informatiebericht geen uitwerking van het criterium van zelfredzaamheid was opgenomen. Verweerder heeft ter zitting daarnaast bevestigd dat hij in de zaak van eiser IB 2026/1 heeft toegepast.

Was het gehoor zorgvuldig?

8. Eiser voert aan dat het besluit in strijd met het IB 2026/1 tot stand is gekomen, nu er ten onrechte geen ‘gehoor bescherming EU’ is afgenomen maar een nader gehoor. Voor eiser kwam de niet-ontvankelijkverklaring als een verassing, te meer nu er geen voornemen door verweerder is uitgebracht. Eiser heeft onvoldoende naar voren kunnen brengen over de situatie in Griekenland. Dat in het nader gehoor wel vragen zijn gesteld over eisers ervaringen in Griekenland laat onverlet dat hierin niet voldoende is doorgevraagd naar omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling of eiser zelfredzaam was in Griekenland. Er is dan ook sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.

9. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het IB 2026/1 is vermeld dat er, nadat een aanmeldgehoor is afgenomen en is vastgesteld dat de zaak mogelijk als niet-ontvankelijk kan worden afgedaan, een ‘gehoor bescherming EU’ wordt afgenomen. Ook staat in het IB 2026/1 dat het mogelijk is dat het pas op een later moment duidelijk wordt dat de aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het is daarom van belang dat er in het gehoor wordt doorgevraagd op het eerdere verblijf van de vreemdeling in Griekenland.

10. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat er sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank stelt vast dat verweerder al met de afwijzing van het claimverzoek door de Duitse autoriteiten op 24 februari 2026, op de hoogte was van de Griekse asielstatus van eiser. Ook heeft eiser dit verklaard in het aanmeldgehoor op 2 maart 2026. Vervolgens heeft verweerder een nader gehoor met eiser gepland en niet een ‘gehoor bescherming EU’. Uit het verslag van het nader gehoor van 6 mei 2026 blijkt dat aan eiser is meegedeeld dat het nader gehoor is aangevangen met het oog op de vaststelling van eisers asielrelaas en zijn redenen voor vertrek uit zijn land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat in het nader gehoor vragen zijn gesteld over zijn problemen in Gaza en ook over zijn verblijf in Griekenland. Hoewel verweerder met het plannen van een nader gehoor in plaats van een ‘gehoor bescherming EU’ in strijd met het IB 2026/1 heeft gehandeld, hoeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer te betekenen dat het gehoor onzorgvuldig is geweest. Van belang is dat het voor eiser voldoende duidelijk was in welk kader hij werd gehoord, zodat hij de mogelijkheid had om alles naar voren te brengen wat relevant kan zijn voor de beoordeling of eiser kan terugkeren naar Griekenland. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het nader gehoor onvoldoende dat verweerder voornemens was om de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren en eiser terug te sturen naar Griekenland. Zo is eiser bijvoorbeeld niet expliciet gevraagd naar omstandigheden die maken dat hij niet teruggestuurd zou kunnen worden naar Griekenland. Verweerders standpunt ter zitting, dat eiser in de correcties en aanvullingen de mogelijkheid heeft gehad om zijn verklaringen aan te vullen, volgt de rechtbank niet. Pas met het nemen van het bestreden besluit was het voor eiser en zijn gemachtigde duidelijk dat de aanvraag niet inhoudelijk werd behandeld, waardoor eiser niet al eerder (zoals in de correcties en aanvullingen op het gehoor) aanvullende informatie heeft kunnen geven over zijn ervaringen in Griekenland. De beroepsgrond slaagt.

Heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet terechtkomt in een situatie die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest?

11. Eiser voert aan dat het beleid zoals opgenomen in IB 2026/1 niet deugdelijk is gemotiveerd en dat verweerder hieraan ten onrechte uitvoering heeft gegeven. Het gewijzigde beleid is volgens eiser niet gebaseerd op een verbeterde situatie in Griekenland. De situatie voor Griekse statushouders lijkt juist te zijn verslechterd ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraken van de Afdeling van juli 2021. Eiser verwijst in dit verband naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 27 november 2025. Eiser voert verder aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij zelfredzaam was in Griekenland. Verweerder heeft allereerst niet betrokken dat eiser heeft verklaard dat er in Griekenland geen werk is, dat het geld dat hij met zijn online werk verdiende niet genoeg was om zich in Griekenland te redden en dat hij het online werk niet meer kan doen omdat hij niet meer beschikt over zijn telefoon. Daarnaast gaat verweerder er ten onrechte van uit dat eiser in Griekenland zelfstandig huisvesting heeft kunnen vinden. Nu eiser geen inkomsten meer heeft kan hij niet langer in hotels verblijven. Daarbij komt dat uit het rapport van 27 april 2026 over de positie van statushouders in Griekenland blijkt dat het niet makkelijk is om in Griekenland aan een woning te komen. Ook neemt verweerder ten onrechte aan dat eiser een sociaal netwerk heeft in Griekenland. Verder voert eiser, onder verwijzing naar het AIDA rapport van juli 2026 (update 2025), aan dat het voor hem moeilijk zal zijn om zijn asielvergunning in Griekenland te verlengen.

12. De rechtbank stelt allereerst vast dat in het IB 2026/1 staat dat de aanleiding voor het informatiebericht het tweede verslag feitenonderzoek naar statushouders Griekenland van september 2024 is en dat dit feitenonderzoek was aangevraagd naar aanleiding van voornoemde uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021. Ook wordt gewezen op een mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 over de status van migratiebeheer op het Griekse vasteland en de positie van statushouders. Deze informatie lag ook aan eerdere informatieberichten ten grondslag. Verder staat in het IB 2026/1 dat een aanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de vreemdeling als zelfredzaam kan worden beschouwd. Verweerder heeft hierbij een aantal criteria opgesomd op basis waarvan de zelfredzaamheid van de vreemdeling wordt aangenomen. Het moet gaan om een niet kwetsbare, volwassen en alleenstaande man, die beschikt over een geldige Griekse verblijfsvergunning. Daarbij is het niet noodzakelijk dat de vreemdeling de documenten ook daadwerkelijk kan overleggen. Als de vreemdeling deze documenten is verloren, kan hij in Griekenland vervangende documenten aanvragen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.

De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat uit het IB 2026/1 noch uit het bestreden besluit blijkt dat dat de situatie in Griekenland voor statushouders is verbeterd sinds de situatie ten tijde van voornoemde Afdelingsuitspraken. De rechtbank acht het van belang op die algemene situatie in te gaan, nu dit de aanleiding vormt voor het IB 2026/1 en ook van belang is bij de beoordeling of zelfredzame statushouders kunnen terugkeren naar Griekenland. In het IB 2026/1 wordt weliswaar verwezen naar het tweede feitenonderzoek naar Griekse statushouders van september 2024 en de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025, maar verweerder heeft desgevraagd niet toegelicht op grond van welke concrete informatie sprake is van een verbetering ten opzichte van de situatie voor Griekse statushouders in 2021. De rechtbank is van oordeel dat uit het tweede verslag feitenrapport van september 2024 blijkt dat er nog steeds grote problemen zijn voor Griekse statushouders en dat mogelijk zelfs sprake is van een verslechtering. Ook uit dit tweede verslag feitenonderzoek blijkt, net als uit het eerste verslag feitenonderzoek en uit de uitspraken van de Afdeling van 28 juli 2021, dat het vinden van huisvesting/onderdak voor terugkerende statushouders zeer problematisch is, dat statushouders die niet beschikken over hun ADET, AMKA of AFM geen toegang hebben tot sociale uitkeringen, werk, gezondheidszorg en huisvesting, dat de wachttijden voor het opnieuw aanvragen van die documenten lang (maanden tot meer dan één jaar) zijn en dat veel terugkerende statushouders uiteindelijk in dakloosheid of illegale huisvesting terecht komen. Meer concreet blijkt uit het tweede verslag dat voor het verkrijgen van een sociaal zekerheidsnummer (AMKA) inmiddels (sinds april 2024) een arbeidscontract of werkgeversverklaring is vereist. Dit is een extra complicatie voor het verkrijgen van documenten. Ook meldt het feitenrapport dat het vinden van onderdak via HELIOS binnen twaalf maanden na het verlenen van het eerste verblijfsrecht moet geschieden, vanuit de asiel-opvanglocatie, en dat de meeste terugkerende statushouders niet aan deze toelatingseisen voldoen. Ook als de terugkerende statushouders genoeg financiële middelen hadden om huur te betalen, resulteerden de wachttijden op de juiste verblijfsdocumenten, administratieve procedures en de moeilijkheid om aan werk of een uitkering te komen later alsnog in dakloosheid of in informele huisvesting.

In de mededeling van de Europese Commissie van 4 april 2025 wordt gewezen op het HELIOS+ programma dat begin 2025 van start is gegaan en dat is gericht op integratie van statushouders in Griekenland door middel van hulp bij het verkrijgen van huursubsidie, taaltraining en bij het verkrijgen van werk. Hoewel dit programma een verbetering beoogt te bewerkstelligen voor terugkerende statushouders, blijkt uit het door eiser overgelegde rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL van april 2026 dat er nog steeds problemen zijn. Allereerst wordt in het rapport erop gewezen dat de schaal van het programma ver achterblijft bij de werkelijke behoeften. Zo heeft het HELIOS+ programma een doelstelling van 4.323 statushouders per jaar terwijl de Griekse autoriteiten vorig jaar al 134.576 asielaanvragen heeft ingewilligd. Daarnaast blijkt uit dit rapport dat HELIOS+ geen huisvesting biedt maar alleen huursubsidie en dat daaraan strenge voorwaarden zijn verbonden. De huursubsidie is alleen beschikbaar voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Ook wordt in dit rapport aangehaald dat dakloosheid en extreme onzekerheid de bijna onvermijdelijke gevolgen zijn van de uitzetting van statushouders naar Griekenland.

Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank met het IB 2026/1 niet onderbouwd dat sprake is van een structurele verbetering voor Griekse statushouders ten opzichte van de situatie in 2021. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat uit het tweede verslag feitenonderzoek en de mededeling van de Europese Commissie volgt dat het door verweerder gehanteerde zelfredzaamheidscriterium volstaat om de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Het is voor de rechtbank onduidelijk waarop de algemene criteria van zelfredzaamheid in IB 2026/1 zijn gebaseerd.

Ook als de rechtbank uitgaat van het zelfredzaamheidscriterium in IB 2026/1 en de uitwerking daarvan in het bestreden besluit, is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte als zelfredzaam is aangemerkt. Dit legt de rechtbank hierna uit. 12.5.1. Eén van de criteria is dat de vreemdeling een geldige Griekse verblijfsvergunning moet hebben. Eiser heeft verklaard dat hij niet meer over zijn Griekse verblijfsdocument beschikt, hetgeen in zoverre ook niet door verweerder wordt betwist. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat het niet noodzakelijk is dat eiser ook daadwerkelijk zijn verblijfsdocument bezit, omdat eiser in een dergelijk geval een vervangend document in Griekenland kan aanvragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij echter ten onrechte niet heeft betrokken dat onder meer uit het tweede verslag feitenonderzoek blijkt dat het voor terugkerende statushouders die niet meer in het bezit zijn van hun Griekse verblijfsvergunning (ADET) maanden kan duren voordat deze opnieuw wordt afgegeven. Ook voor de verlenging van de verblijfsvergunning moeten vreemdelingen maanden tot een jaar wachten. Als gevolg hiervan kunnen zij geen belastingnummer (AFM) en geen sociaalzekerheidsnummer (AMKA) bemachtigen, waardoor de vreemdeling geen toegang kan krijgen tot huisvesting, sociale voorzieningen, zorg en de arbeid. 12.5.2. De andere criteria – dat eiser een volwassen, alleenstaande en niet-kwetsbare man is – acht de rechtbank ook onvoldoende voor het standpunt dat eiser zelfredzaam is en bij terugkeer niet in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal geraken. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat hij niet zal voldoen aan de voorwaarden van het HELIOS+ programma, nu uit het rapport van RSA en Stiftung PRO ASYL blijkt dat huursubsidie alleen beschikbaar is voor werklozen aan wie niet eerder dan 24 maanden voor de inschrijving internationale of tijdelijke bescherming is verleend. Verweerders standpunt dat eiser in 2023 in Griekenland werk en huisvesting heeft gehad, acht de rechtbank in het licht van voornoemde landeninformatie op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser dit bij terugkeer in Griekenland weer zal kunnen krijgen. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat hij geen sociaal netwerk heeft in Griekenland bij wie hij terecht kan voor huisvesting. Eiser heeft enkel een neef in Griekenland, die in de gevangenis zit. Ook beschikt hij niet over voldoende geld om in bijvoorbeeld een hotel te verblijven.

Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Griekenland niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

13. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu de rechtbank het beroep gegrond verklaart, zal zij de overige gronden onbesproken laten.

14. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Nu de asielaanvraag van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, draagt de rechtbank verweerder op om de asielaanvraag van eiser inhoudelijk te beoordelen. De rechtbank wijst erop dat verweerder in dat kader rekening moet houden met de beslissing op de asielaanvraag van eiser in Griekenland en de motivering daarvan, zoals volgt uit het arrest QY. De rechtbank geeft verweerder hiervoor ten hoogste tien weken.

15. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

16. Nu de rechtbank deze beslissing neemt over eisers beroep, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 26 juli 2026;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft,

een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het

hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze

uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet

afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening

(een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand