[naam], eiser,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Inleiding
1. Bij besluit van 24 augustus 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
De minister heeft de rechtbank in kennis gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de vrijheidsontnemende maatregel op 31 augustus 2026 opgeheven.
De rechtbank heeft de beroepen op 1 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Het beroep is ongegrond. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Toetsingskader
3. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, worden verplicht zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure.
Op grond van artikel 5.5, tweede lid van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert aan dat voor de opgelegde vrijheidsontnemende maatregel geen wettelijke grondslag bestaat, althans dat deze onvoldoende is gemotiveerd. Volgens eiser is niet gemotiveerd waarom hem de toegang tot Nederland is geweigerd en waarom de asielgrensprocedure op hem is toegepast. Hij stelt dat geen dwingende grond voor toepassing van de asielgrensprocedure bestond, omdat hij beschikte over een geldig paspoort en vanwege zijn nationaliteit visumvrij Nederland kon inreizen.
Daarnaast voert eiser aan dat het grensbewakingsbelang niet zonder nadere motivering als grondslag voor vrijheidsontneming kan worden gebruikt en dat het standaardmatig opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 17 juli 2026 en zittingsplaats Roermond van 31 juli 2026.
Ten slotte voert eiser aan dat ten onrechte geen lichter middel is toegepast. Volgens eiser had kunnen worden volstaan met bijvoorbeeld een (verzwaarde) meldplicht. Daarbij wijst hij erop dat zijn moeder in Nederland woont en dat deze omstandigheid niet kenbaar bij de belangenafweging is betrokken.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraak van 26 maart 2024 heeft geoordeeld dat ook niet-visumplichtige derdelanders moeten voldoen aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode. Door aan de grens een asielverzoek in te dienen, heeft eiser blijk gegeven van de bedoeling langer dan 90 dagen in Nederland te willen verblijven. Daarmee voldoet eiser niet aan de toegangsvoorwaarden van artikel 6, eerste lid, van de Schengengrenscode. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich daarmee terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden als bedoeld in de Schengengrenscode en terecht uitstel van de weigering tot toegang heeft gegeven. De minister heeft hiermee voldoende gemotiveerd waarom eiser niet tot Nederland is toegelaten en waarom de asielgrensprocedure op hem is toegepast.
De rechtbank is verder, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2026, van oordeel dat de minister in het grensbewakingsbelang voldoende noodzaak mag zien om een vrijheidsontnemende maatregel overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van de Opvangrichtlijn op te leggen. Hierbij hoeft die noodzaak niet nader te worden gemotiveerd, bijvoorbeeld door toe te lichten dat er een risico op onderduiken bestaat. Dit is alleen anders in gevallen waarin een verzoeker overeenkomstig artikel 52 van de Procedureverordening in grensdetentie wordt geplaatst om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De vaststelling dat grensdetentie nodig is om het grensbewakingsbelang daadwerkelijk te dienen, betekent niet dat in ieder individueel geval automatisch een vrijheidsontnemende maatregel wordt opgelegd. Zoals uit voornoemde uitspraak van de Afdeling volgt, moet de minister steeds beoordelen of met een lichter middel moet worden volstaan, ook al geeft hij dan het grensbewakingsbelang prijs. Uit de maatregel blijkt dat de minister deze beoordeling heeft verricht. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en is hem gevraagd naar bijzondere, persoonlijke, medische dan wel andere spoedeisende omstandigheden die aanleiding kunnen geven om van de maatregel af te zien. Daarop heeft eiser ontkennend geantwoord. Ook is eiser gevraagd naar familieleden in Nederland. Eiser heeft verklaard dat zijn moeder in 2025 naar Nederland is gekomen en asiel heeft aangevraagd, maar dat hij geen contact meer met haar heeft en niet weet waar zij verblijft. De minister heeft deze omstandigheid kenbaar bij de beoordeling betrokken en overwogen dat niet is gebleken van een afhankelijkheid van zijn hier in Nederland verblijvende familieleden die de grensdetentie voor eiser onevenredig bezwarend maakt. Daarbij heeft de minister van belang geacht dat eiser meerderjarig is en zonder zijn familieleden naar Nederland is gereisd. De rechtbank volgt deze redenering en ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten afzien van de vrijheidsontnemende maatregel. De minister heeft dan ook niet hoeven volstaan met een lichter middel.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.