Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 19 januari 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] , in nagenoemd paspoort aangeduid als [naam] ,
verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Sleeman in Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. S.J. Versteeg.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoekster is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster een onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Relevante landen
Omdat verzoekster in de Verenigde Arabische Emiraten is geboren uit een Palestijnse vader en een Jordaanse moeder, zal de rechtbank de Verenigde Arabische Emiraten, de Palestijnse Gebieden en Jordanië bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Verenigde Arabische Emiraten beschouwd?
Tussen verzoekster en de Staat is niet in geschil dat verzoekster niet de nationaliteit van de Verenigde Arabische Emiraten heeft.
De rechtbank overweegt dat zij in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten heeft gevonden om hier anders over te oordelen en stelt dus vast dat verzoekster niet als onderdaan van de Verenigde Arabische Emiraten wordt beschouwd.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Verzoekster is in het bezit van een Palestijns paspoort, dat door Bureau Documenten van de IND is onderzocht op echtheid en positief is beoordeeld. Gelet daarop is het aannemelijk dat verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft. In dat geval geldt het volgende. Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoekster als onderdaan van Jordanië beschouwd?
Tussen verzoekster en de Staat is niet in geschil dat verzoekster niet de nationaliteit van Jordanië heeft.
De rechtbank overweegt dat zij in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten heeft gevonden om hier anders over te oordelen en stelt dus vast dat verzoekster niet als onderdaan van Jordanië wordt beschouwd.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande, stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoekster vast.
Beslissing
De rechtbank:
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 5 augustus 2026.