ECLI:NL:RBDHA:2026:25770

ECLI:NL:RBDHA:2026:25770

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-08-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer C/09/632028 / HA RK 22-276
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

RWN vaststelling Nederlanderschap na vernietiging Hoge Raad. vaststelling vaderschap in Costa Rica. Voldoet DNA-onderzoek Costa Rica aan de wettelijke eisen als bedoeld in 4 lid 4 RWN en artikel 1 lid 6 Sub b Besluit DNA-onderzoek vaderschap.

Uitspraak

Beschikking op het op 8 juli 2022 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,

wonende te [woonplaats],

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland],

advocaat: mr. J. Singh te Hoofddorp.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen “de IND”),

zetelende te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door: mr. drs. C.J. Cappon.

Procedure

Op 9 april 2024 heeft deze rechtbank in de onderhavige zaak een beschikking afgegeven. De Staat heeft tegen deze beschikking beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 27 juni 2025 de beschikking van de rechtbank van 9 april 2024 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Op 13 oktober 2025 is de zaak ter zitting van deze rechtbank verder behandeld. Vervolgens is bij beschikking van 10 november 2025 iedere verdere beslissing pro forma aangehouden en heeft de rechtbank het Internationaal Juridisch Instituut verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat verzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om stukken met toelichting over de mogelijkheid van het optierecht voor [minderjarige] te overleggen.

De rechtbank heeft nadien de volgende stukken ontvangen:

Beoordeling

De Hoge Raad heeft in de beschikking van 27 juni 2025 onder 3.4 overwogen dat de rechter, zo nodig ambtshalve, dient te onderzoeken of het DNA-bewijs voldoet aan de vereisten die volgen uit artikel 4 lid 4 en lid 6 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). In 3.5 heeft de Hoge Raad overwogen: “De rechtbank heeft geoordeeld dat met het DNA-onderzoek dat in opdracht van de rechtbank in Costa Rica is uitgevoerd, voldaan is aan artikel 4 lid 4 RWN. De rechtbank heeft echter niet kenbaar onderzocht of het DNA-onderzoek voldeed aan de uit artikel 4 lid 6 RWN in verbinding met het Besluit [DNA-onderzoek vaderschap] voortvloeiende eis dat het biologisch ouderschap is aangetoond door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een conform het Besluit geaccrediteerd laboratorium.”

In genoemde beschikking van 10 november 2025 heeft de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht geacht over het Costa Ricaanse recht en aanleiding gezien het IJI te benaderen om onderzoek te verrichten ter beantwoording van onder meer de volgende vragen:

- Aan welke eisen, voorwaarden en regels diende in 2015/2016 een DNA-onderzoek te voldoen dat in opdracht van Costa Ricaanse rechtbanken in het kader van afstammingskwesties werd verricht?

- Is bekend welk instituut destijds op verzoek van de Costa Ricaanse rechtbank deze onderzoeken verrichtte?

- Worden de onderzoeksresultaten ergens bewaard en zo ja: waar, hoe lang en is het mogelijk om deze op te vragen?

Vervolgens heeft het IJI onderzoek verricht. Uit het rapport van dit onderzoek komt onder meer het volgende naar voren:

“Vraag 1: Aan welke eisen, voorwaarden en regels diende in 2015/2016 een DNA-onderzoek te voldoen dat in opdracht van Costa Ricaanse rechtbanken in het kader van afstammingskwesties werd verricht?

13. Het Costa Ricaanse familierecht is geregeld in de Código de Familia (hierna: FW). […]
15. In artikel 98 FW is wetenschappelijk DNA-bewijs uitdrukkelijk geregeld. Daaruit volgt dat in elke procedure tot vaststelling of betwisting van vaderschap of moederschap wetenschappelijk bewijs toelaatbaar is met het oog op het verifiëren van het al dan niet bestaan van de verwantschapsband. Dit bewijs kan worden geleverd door het Organismo de Investigación Judicial (OIJ) van het Hooggerechtshof of door laboratoria die naar behoren zijn geaccrediteerd en erkend door het Hooggerechtshof, na een advies van het Organismo de Investigación Judicial (OIJ) dat het deskundigenonderzoek redelijkerwijs doorslaggevend is in de ene of de andere richting. In elk geval wordt het bewijs beoordeeld in overeenstemming met de wetenschappelijke conclusie en het overige bewijsmateriaal. […]
16. Dit juridisch kader werd aangevuld door artikel 98 bis FW, zoals dat toen van kracht was, en dat deel uitmaakte van de bijzondere afstammingsprocedure. Die bepaling voorzag in een verwijzing door de rechtbank naar het Organismo de Investigación Judicial (OIJ) of naar een naar behoren geaccrediteerd laboratorium dat door de nationale accreditatie-instantie was erkend en het resultaat werd afgewacht, voordat een gerechtelijke beslissing werd genomen. De correspondent merkt hierover op dat dit bevestigt dat wetenschappelijk DNA-bewijs niet marginaal was, maar structureel geïntegreerd was in de Costa Ricaanse afstammingsprocedure en moest voldoen aan strenge wettelijke vereiste[e]n.
17. […] Op grond van artikel 98 dient het DNA-onderzoek te worden uitgevoerd door laboratoria die naar behoren zijn geaccrediteerd en erkend door een nationale Accreditatie instantie.[voetnoot] In artikel 98bis FW zijn nadere eisen hieromtrent gesteld.
18. Uit het voormelde volgt dat in afstammingszaken wetenschappelijk bewijs wordt geleverd middels DNA-onderzoek en dat aan dit onderzoek strenge wettelijke eisen worden gesteld. DNA-onderzoek is ingebed in zowel gerechtelijke als administratieve procedures ten aanzien van afstammingszaken. Bovendien geldt in de onderhavige procedure dat het DNA-onderzoek is gelast middels een gerechtelijke procedure door de rechtbank en is uitgevoerd door de forensische afdeling van de gerechtelijke onderzoeksinstantie, zoals hierna uiteen wordt gezet.
19. In de onderhavige kwestie volgt uit de Costa Ricaanse uitspraak van de rechtbank voor familiezaken van Desamparados van 10 februari 2016 dat het DNA-onderzoek is verricht door de afdeling Forensische Genetica van de gerechtelijke onderzoeksinstantie, te weten het Organismo de Investigación Judicial (OIJ). Het forensisch laboratorium van de OIJ voert vaderschapstesten uit in opdracht van de gerechten. Dit forensisch laboratorium heeft een juridische status, zoals volgt uit artikel 98 FW. Het OIJ maakt deel uit van het rechtssysteem. Het is een onderdeel van het Hooggerechtshof en werkt samen met het Openbaar Ministerie en heeft diverse afdelingen. Het OIJ voert bijvoorbeeld ook onafhankelijke en onpartijdige strafrechtelijke onderzoeken uit en voert onder meer forensisch onderzoek uit in strafzaken. Het OIJ is dus het officiële advies- en deskundigenorgaan van de gerechten.
20. De correspondent licht toe dat het OIJ volgens vaste protocollen werkt. Er gelden diverse protocollen voor de werkwijze van het OIJ. De huidige officiële OIJ-procedure voor de uitvoering van civiele vaderschapsonderzoeken vermeldt een eerste goedkeuringsdatum van 30 september 2015. Deze procedure omschrijft de administratieve afhandeling van zaken betreffende het vaderschapsonderzoek, waaronder het plannen van afspraken, het raadplegen van digitale dossiers in het SADCF-systeem en het toevoegen van relevante documenten aan het digitale dossier. Een afzonderlijke OIJ-procedure voor de statistische interpretatie van vaderschapsresultaten vermeldt een eerste goedkeuringsdatum van 30 juni 2015. Deze procedure is van toepassing op alle vaderschaps- en mogelijke verwantschapszaken die door de afdeling Forensische Genetica worden geanalyseerd en verwijst naar technisch materiaal, waaronder de AABB-normen voor ouderschapstests. De procedure behandelt ook rekeninstrumenten die worden gebruikt voor vaderschapskansen en legt uit hoe extreem hoge kansen worden gerapporteerd. Er is ook een formele OIJ-procedure voor het verzamelen van biologische monsters in de afdeling Forensische Genetica, met een eerste goedkeuringsdatum van 29 april 2016. Omdat die goedkeuringsdatum na de uitspraak van 10 februari 2016 valt, beschouwt de correspondent deze niet als definitief bewijs van de werkwijze die op de datum van bemonstering van kracht waren. De correspondent beschouwt het echter wel als ondersteunend bewijs dat er in dezelfde periode formele protocollen voor identiteitscontrole, bewakingsketen en gelijktijdige bemonstering voor vaderschapskwesties van kracht waren.
21. De correspondent licht toe dat hij officiële documenten heeft bestudeerd en dat daaruit volgt dat de werkwijze van het forensisch laboratorium van het OIJ geformaliseerd was en onderworpen aan kwaliteitsbeheer. De hierboven besproken procedure voor de vaststelling van vaderschap hanteerde technische normen, vereiste interne toetsing en omvatte gestructureerde statistische rapportage. Bij de procedure voor het afnemen van biologische monsters lag de nadruk op het voorkomen van besmetting, de integriteit van de monsters en de bewakingsketen. Al deze documenten wijzen er samen op dat de gerechtelijke DNA-onderzoeken in Costa Rica in zaken betreffende afstamming niet ad hoc plaatsvonden, maar institutioneel gestandaardiseerd waren.
22. Uit officiële OIJ-accreditatiematerialen blijkt dat het Departement Forensische Wetenschappen meer dan tien jaar had gewerkt aan de implementatie van de ISO 17025-vereisten, waaronder gecontroleerde documentatie, onderhoud van apparatuur, kalibratie of verificatie, en interlaboratoriumtests. Uit die documenten blijkt ook dat de laatste fase van het accreditatieproces bestond uit het indienen van de formele aanvraag bij de accreditatie-instantie in de eerste helft van 2017, waarbij openbare documenten met betrekking tot de accreditatie verschenen in 2016 en 2017. De correspondent geeft aan dat hij niet kan bevestigen dat de formele externe accreditatie in 2015/2016 al was voltooid, maar dat de werkwijze van het OIJ feitelijk in overeenstemming was met de formele kwaliteitseisen en waarborgen van accreditatie. Bovendien geldt het OIJ als het orgaan dat het onderzoek controleert van andere laboratoria (art. 98 FW).”

Vraag 2: Is bekend welk instituut destijds op verzoek van de Costa Ricaanse rechtbank deze onderzoeken verrichtte?

De IND stelt zich op het standpunt dat uit het IJI-rapport volgt dat het Costa Ricaanse DNA-rapport waarschijnlijk wel opvraagbaar is. Voorts stelt de IND zich op het standpunt dat uit het IJI-rapport volgt dat het betreffende DNA-laboratorium eind 2015/begin 2016 nog niet was gecertificeerd. De formele aanvraag tot certificering werd namelijk pas ingediend medio 2017 en het is niet precies duidelijk op welke datum de certificering werd verleend. Daarmee valt volgens de IND, ook zonder het DNA-rapport, te concluderen dat ten tijde van het Costa Ricaanse DNA-onderzoek dat werd verricht omstreeks eind 2015/begin 2016, het Costa Ricaanse laboratorium (nog) niet was gecertificeerd conform de normen en aanbevelingen die staan vermeld in artikel 1 lid 6 sub b Besluit DNA-onderzoek vaderschap.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het DNA-onderzoek verricht door het Costa Ricaanse DNA-laboratorium wel voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 lid 6, sub b van Besluit DNA-onderzoek vaderschap, nu dat laboratorium het enige laboratorium in Costa Rica was dat toen een DNA-onderzoek mocht verrichten. De onderzoeken verricht door dit laboratorium werden toen ook in Costa Rica geaccepteerd. Hoewel de certificering wat later plaatsvond, kan aan de resultaten van het onderzoek niet voorbij worden gegaan. Dat zou in strijd zijn met het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De wetgever kan niet in alle bijzondere situaties in alle landen voorzien. Nu er geen ander alternatief voor DNA-onderzoek in Costa Rica aanwezig was en de vader ook bereid is aan een DNA-onderzoek in Nederland mee te werken, dient met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene Wet Bestuursrecht het resultaat van het DNA-onderzoek verricht in Costa Rica alsnog te worden geaccepteerd.

De rechtbank leidt uit de uitspraak van de Hoge Raad af dat de afstammingsrelatie kan worden vastgesteld op basis van een DNA-onderzoek dat in het buitenland is verricht, mits dit onderzoek voldoet aan de eisen zoals deze in Nederland aan een DNA-onderzoek zijn gesteld. Deze eisen zijn vermeld in artikel 1 lid 6 sub b Besluit DNA-onderzoek vaderschap en houden in dat een DNA-onderzoek wordt verricht door een laboratorium dat door een bevoegde autoriteit is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).

De rechtbank stelt vast dat het DNA-onderzoek van verzoeker eind 2015/2016 is uitgevoerd door het laboratorium Organismo de Investigación Judicial (OIJ). Dit volgt uit de uitspraak van de rechtbank in Costa Rica van 10 februari 2016 en is ook niet in geschil zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om van verzoeker te verlangen dat hij het DNA-onderzoek nog opvraagt. Toentertijd was de OIJ (nog) niet geaccrediteerd. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit niet zonder meer betekent dat het DNA-onderzoek niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Uit het Besluit DNA-onderzoek vaderschap volgt dat het DNA-onderzoek moet worden verricht door een laboratorium dat werkt volgens de NEN-EN ISO/IEC 17025 of 15189 en de aanbevelingen van de FSI 2007. Op basis van het IJI-rapport is de rechtbank van oordeel dat het uitgevoerde DNA-onderzoek aan deze eisen voldoet en legt dit als volgt uit.

De door het IJI ingeschakelde correspondent heeft de officiële documenten van het OIJ onderzocht. Hij vermeldt dat het OIJ inmiddels is geaccrediteerd en dat de aanvraag hiertoe in de eerste helft van 2017 is ingediend bij de accreditatie-instantie en dat er daarvoor tien jaar is gewerkt aan de implementatie van de ISO 17025 vereisten. De formele aanvraag betrof de laatste fase van het accreditatieproces. De rechtbank stelt daarmee vast dat nu de accreditatie-aanvraag in het voorjaar van 2017 heeft plaatsgevonden, het onderzoeksproces in de periode vlak daarvoor al voldeed aan de daarvoor internationaal geldende ISO-norm 17025. De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat ook het DNA-onderzoek van verzoeker is uitgevoerd volgens de werkwijze waarvoor de accreditatie is aangevraagd en afgegeven.

De rechtbank ziet dit ook bevestigd in het volgende. De correspondent vermeldt dat OIJ volgens vaste protocollen werkt en dat de huidige officiële OIJ-procedure voor de uitvoering van de civiele vaderschapsonderzoeken een eerste goedkeuringsdatum van 30 september 2015 vermeldt. Deze procedure omschrijft de administratieve afhandeling van zaken betreffende het vaderschapsonderzoek, het plannen van afspraken, het raadplegen van digitale dossiers in het SADCF-systeem en het toevoegen van relevante documenten in het digitale dossier. Een afzonderlijke OIJ-procedure voor de statistische interpretatie van de vaderschapsresultaten vermeldt een eerste goedkeuringsdatum van 30 juni 2015. Deze procedure is van toepassing op alle vaderschaps- en mogelijke verwantschapszaken die door de afdeling Forensische Genetica worden geanalyseerd en verwijst naar technisch materiaal, waaronder de AABB-normen voor ouderschapstests. De procedure behandelt ook rekeninstrumenten die worden gebruikt voor vaderschapskansen en legt uit hoe extreem hoge kansen worden gerapporteerd. Er is ook een formele OIJ-procedure voor het verzamelen van biologische monsters in de afdeling Forensische Genetica, met een eerste goedkeuringsdatum van 29 april 2016.

Met de correspondent is de rechtbank van oordeel dat voornoemde documenten erop wijzen dat de werkwijze van het OIJ in 2015 en 2016 al geformaliseerd was en onderworpen was aan kwaliteitsbeheer en dat bij OIJ verrichte DNA-onderzoeken institutioneel gestandaardiseerd plaatsvonden. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het DNA-onderzoek van verzoeker op basis waarvan de rechtbank in Costa Rica het vaderschap van verzoeker heeft vastgesteld, is uitgevoerd door een laboratorium dat een werkwijze hanteerde die voldeed aan de vereisten als vermeld in artikel 1 lid 6 Besluit DNA-onderzoek vaderschap.

Dit betekent dat is voldaan aan het vereiste van artikel 4 lid 4 RWN en dat [minderjarige] door de erkenning door verzoeker op 10 februari 2016 het Nederlanderschap heeft verkregen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:

*

stelt vast dat [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats], [geboorteland],

sinds 10 februari 2016 de Nederlandse nationaliteit bezit;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.G.J. Verkennis

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand