Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 20 mei 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
De minderjarige [minderjarige] Blokker heeft zijn mening over het verzoek schriftelijk gegeven via een brief opgesteld door [zorginstantie].
Op 22 juli 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
Feiten
brengt) tot zondag 10.30 uur (de vader brengt), alsmede tijdens vakanties en feestdagen in onderling overleg.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van de beschikking van 14 juni 2021, in die zin dat de moeder nu verzoekt te bepalen dat er voortaan geen zorgregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige], met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vader heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Zorgregeling
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in samenhang met artikel 1:377e BW, kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een beslissing over de zorgregeling onder meer wijzigen op grond van nadien gewijzigde omstandigheden.
Het is de rechtbank gebleken dat er nauwelijks uitvoering is aangegeven aan de zorgregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 14 juni 2021. De rechtbank is van oordeel dat er daarmee sprake is van gewijzigde omstandigheden, waardoor de rechtbank de moeder zal ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat het de ouders, ondanks ondersteuning vanuit hulpverleningsinstanties, niet is gelukt om uitvoering te geven aan de vastgestelde of een andere structurele zorgregeling. De ouders verschillen van mening over de reden waarom dit niet is gelukt. De vader heeft [minderjarige] inmiddels al zeven maanden niet gezien.
Op de zitting hebben de ouders overeenstemming bereikt over een opbouwende zorgregeling, waarbij wordt gestart met een uurtje contact op zaterdag 8 augustus 2026 en na de start van het nieuwe schooljaar via een opbouw wordt toegewerkt naar omgang om de week op zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur. De rechtbank zal conform de overeenstemming van de ouders beslissen, omdat zij dat ook in het belang van [minderjarige] acht. Daarbij zal de rechtbank vaststellen dat de vader [minderjarige] haalt en brengt, aangezien de moeder alle zorg voor [minderjarige] draagt buiten de omgang om de week op zondag. De rechtbank merkt hierbij op dat het halen en brengen ook tijd is die met [minderjarige] wordt doorgebracht en de vader op een leuke manier kan invullen.
Verder merkt de rechtbank op dat beide ouders op de zitting hebben aangegeven dat zij de begeleiding door [zorginstantie] willen voortzetten. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders dit samen regelen.
Proceskosten
Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 14 juni 2021 van deze rechtbank –:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats], bij de vader zal zijn via de volgende opbouw:
waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.