RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37884
(gemachtigde: mr. H.M. Schurink-Smit),
en
(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van 12 oktober 2022 van de moeder van eiser (referente) voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van gezinshereniging met eiser op basis van artikel 8 EVRM (hierna: de aanvraag). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht beslissen dat eiser niet voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid. Daarnaast mocht de minister zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiser en referente. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 12 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 16 juli 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, A. Ben Mohammed als tolk, referente en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
6. Referente en eiser hebben de Syrische nationaliteit. Referente heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en was 22 jaar oud op het moment van de aanvraag. De minister heeft eiser aangemerkt als jongvolwassene en de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid en er ook geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiser voldoet niet aan het jongvolwassenenbeleid omdat eiser voorziet in zijn eigen levensonderhoud en eiser enige tijd niet met referente of haar ex-man in gezinsverband heeft samengeleefd. Eiser en referent voldoen ook niet aan de voorwaarden van bijkomende elementen van afhankelijkheid omdat de ouder-kind relatie niet het gebruikelijke karakter overstijgt.
Standpunt eiser
7. Eiser voert aan dat hij onder het jongvolwassenenbeleid valt omdat sprake is van een feitelijke gezinsband en omdat hij niet in zijn levensonderhoud kan voorzien. Eiser heeft niet een baan heeft kunnen vinden die bij zijn opleiding aansluit. Het inkomen dat eiser verkrijgt uit zijn eerdere werk als douanier en uit zijn bijbaan bij de garage is niet voldoende om volledig zelfstandig in zijn levensonderhoud te voorzien. Het geld wat hij verdient kan hij aan zichzelf uitgeven en hij kan bijdragen in de kosten van de huishouding omdat hij nog bij zijn vader woont. Dat is volgens eiser niet hetzelfde als volledig zelfstandig in zijn eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Dat eiser en referente niet meer samenleven in gezinsverband is niet verwijtbaar omdat dat deze scheiding voortvloeit uit een vluchtsituatie. Referente is gevlucht toen zij had gehoord dat de veiligheidsdiensten een rapport over haar hadden en het te onveilig was geworden om langer te blijven. Het was niet mogelijk voor eiser om samen met referente te vluchten omdat zijn vader daar geen toestemming voor heeft gegeven. De scheiding is dus niet uit vrije wil ontstaan.
Toetsingskader
8. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 een stappenplan vastgesteld voor de beoordeling van mvv-nareisaanvragen waarbij meerderjarigen zijn betrokken. De minister hanteert bij nareis het jongvolwassenenbeleid, neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zonder dat de minister daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. De minister gaat uit van het bestaan van familie- en gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als het meerderjarige kind jongvolwassen is, met de ouder of ouders in gezinsband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Daarbij dient de minister mee te wegen in hoeverre het meerderjarige kind door zelfstandig te wonen en/of werken een bewuste stap naar zelfstandigheid heeft willen zetten.Een noodgedwongen scheiding tussen ouder en meerderjarig kind, bijvoorbeeld als gevolg van een vluchtsituatie, kan niet zonder meer aan het meerderjarige kind worden tegengeworpen. De minister dient dan wel nader te onderzoeken of het meerderjarige kind zich ondanks de scheiding zelfstandig en moeiteloos heeft kunnen handhaven, waardoor de feitelijke gezinsband in sommige gevallen alsnog als verbroken beschouwd moet worden.
9. Wanneer een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt de minister vervolgens of tussen het kind en zijn ouder(s) sprake is van familie- en gezinsleven op basis van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kunnen factoren zoals samenwoning, financiële of materiële (emotionele) afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst van belang zijn. Verder mag bij de vraag of voormelde afhankelijkheid bestaat, onder meer gewicht worden toegekend aan de vraag of ook andere familieleden of derden de door het afhankelijke familielid benodigde zorg kunnen geven.
10. De rechtbank stelt vast dat tussen de partijen niet in geschil is dat eiser ten tijde van de aanvraag jongvolwassen was en geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Wel is in geschil of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser voorziet in zijn eigen levensonderhoud en niet meer in gezinsverband samenleeft.
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank zal dat hieronder toelichten.
In eigen onderhoud voorzien
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser voorziet in zijn eigen levensonderhoud. Eiser heeft in het gehoor nareis-vreemdeling verklaard inkomen te ontvangen uit zijn eerdere werk bij de douane in de vorm van betaald verlof en zijn werkzaamheden bij de garage. Eiser heeft verklaard:
“(…). Ik wil voor mijn vader zorgen waar het kan. Hij werkt nu niet en zit thuis. Ik zorg financieel en mentaal voor hem. (…). Ook de boodschappen betaal ik. (…). Ik heb een inkomen. Het is niet veel, het is net genoeg. (…). ”. Dat referente ter zitting heeft medegedeeld dat de financiële situatie van eiser is verslechterd doet hier niet aan af omdat de bestuursrechter de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit moet beoordelen (ex tunc-toetsing). De beroepsgrond slaagt niet.
Feitelijke gezinsband
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser enige tijd zelfstandig heeft gewoond en zichzelf staande heeft kunnen houden. Eiser heeft tijdens het gehoor van 27 juni 2025 verklaard dat zijn ouders zijn gescheiden in 2011. Eiser heeft tot 2011 met referente samengewoond. Referente is na de scheiding teruggegaan naar haar ouders. Eiser kon niet naar haar toe gaan omdat hij dat niet van zijn vader mocht. Ook heeft eiser verklaard dat hij vier tot vijf maanden samen met zijn zus in een apart huis heeft gewoond en daaropvolgend twee maanden zelfstandig heeft gewoond. De aanleiding hiervoor was dat de zus van eiser niet wilde samenwonen met de nieuwe partner van de vader van eiser. Bij het gehoor nareis-vreemdeling is naar aanleiding van deze verklaringen aan eiser gevraagd door de gehoormedewerker: “Uit bovenstaande kan ik opmaken dat u in staat bent om zelfstandig te wonen, wat vind u hiervan?” Eiser antwoordde toen: “ja, natuurlijk kan ik dat”. De rechtbank overweegt dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser stappen richting zelfstandigheid heeft gezet die van voldoende gewicht zijn om aan te nemen dat de feitelijke zinsband is verbroken. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat die zelfstandigheid noodzakelijkerwijs is voortgevloeid uit omstandigheden die uit nood zijn ontstaan, nu uit het gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat referente als gevolg van de scheiding bij haar ouders is gaan wonen en eiser als gevolg van de scheiding van zijn ouders niet langer met referente in gezinsverband samenwoonde. De beroepsgrond slaagt niet.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
14. Eiser voert aan dat de minister een te strenge eis hanteert voor het criterium van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er had niet moeten worden gekeken naar of eisers in staat zijn om zonder elkaar te functioneren maar of de band die zij hebben, het gebruikelijke overstijgt. Ten onrechte heeft de minister dit niet getoetst. Eiser voert aan dat hun onderlinge band het gebruikelijke overstijgt omdat zij nog altijd dagelijks contact hebben ondanks het feit dat zij elkaar al 10 jaar niet hebben gezien.
15. De rechtbank overweegt het volgende. De minister moet een beoordeling maken van de vraag of bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan - zoals hiervoor onder 8 - vermeld, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
16. In het verweerschrift en ter zitting heeft de minister toegelicht dat exclusieve afhankelijkheid als zodanig niet is tegengeworpen als zelfstandige afwijzingsgrond maar dit wel - op grond van het Informatiebericht 2024/57 - heeft betrokken in zijn beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid waaronder de samenwoning, financiële of materiële afhankelijkheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet enkel heeft beoordeeld of sprake is van exclusieve afhankelijkheid en wijst in dat verband naar bladzijde 4 van het bestreden besluit waaruit blijkt dat de minister diverse elementen heeft beoordeeld. De minister mocht zich verder ten aanzien van de emotionele band tussen eiser en referente op het standpunt stellen dat niet is gebleken dat sprake is van een zeer bijzondere emotionele band die het gebruikelijke overstijgt. De minister mocht daarbij betrekken dat eiser en referente elkaar al 13 jaar niet hebben gezien alsmede dat het feit dat zij elkaar missen en elkaar willen zien niet maakt dat sprake is van een emotionele band die de gebruikelijke banden overstijgt. De beroepsgrond slaagt niet
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr.S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 13 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.