RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49899
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en
(gemachtigde: mr. R. van Dooren).
Procesverloop
1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de bevolkingsgroep Fula en heeft tot 2018 in [plaats 1] , Gambia gewoond. Hij is vervolgens bij zijn oom en tante in [plaats 2] gaan wonen omdat zijn moeder was overleden in 2016 en zijn vader het land had verlaten in 2018. Eiser is bang voor de sjiieten. Hij vreest dat zij hem zullen vermoorden als hij niet met ze meegaat. Als hij met de sjiieten zou meegaan dan zouden ze hem onder controle houden en hem afsnijden van de buitenwereld. De sjiieten zijn twee keer bij zijn oom aan de deur geweest omdat zij eiser mee wilden nemen. Het eerste bezoek was in 2018 en het tweede bezoek vond een jaar later in 2019 plaats. De oom van eiser heeft eiser ingelicht over beide bezoeken van de sjiieten na de tweede keer dat de sjiieten langs zijn gekomen. Naar aanleiding van een derde poging van de sjiieten is eiser samen met zijn oom in november 2021 uit Gambia vertrokken naar Turkije. Eiser heeft na zijn vertrek uit Gambia tot maart 2023 in Turkije verbleven, zijn oom is teruggereisd naar Gambia. Eiser is vervolgens naar Griekenland gereisd en heeft daar tot juli 2023 verbleven. Eiser is daarna naar Nederland gereisd en heeft hier op 19 juli 2023 asiel aangevraagd.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De minister vindt de problemen met de sjiieten ongeloofwaardig omdat de verklaringen van eiser onaannemelijk en onsamenhangend zijn. De verklaringen van eiser zijn enkel gebaseerd op vermoedens en aannames. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond waarom de sjiieten een probleem zouden vormen, wat zij precies doen en waarop eiser baseert dat juist hij problemen met hen heeft. Het is verder opmerkelijk en tegenstrijdig dat eiser een specifiek detail weet te noemen, namelijk dat de eerste keer zes mannen namens de sjiieten langskwamen, terwijl hij pas een jaar later door zijn oom op de hoogte zou zijn gesteld van dit eerste bezoek en eiser tegelijkertijd niet in staat is om meer basale details uit de betrokken periode te noemen, zoals zijn leeftijd in 2020. Verder komen de verklaringen van eiser niet overeen met de algemene landeninformatie over Gambia. Uit de landeninformatie blijkt niet dat er sjiitische groeperingen in Gambia zijn die kinderen zouden rekruteren. Er is ook geen informatie dat eiser omdat hij behoort tot de bevolkingsgroep Fula, moslim is en wees is, vanwege deze kenmerken specifiek gezocht zou worden. Verder is de omstandigheid dat eiser na het gestelde tweede bezoek van de sjiieten nog twee jaar zonder problemen in Gambia heeft verbleven tegenstrijdig met de gestelde vrees van eiser voor zijn leven. Eiser is gedurende die twee jaar probleemloos naar school geweest en heeft gewerkt. De oom van eiser en zijn gezin hebben volgens de verklaring van eiser na het vertrek van eiser ook geen problemen meer gehad. Eiser heeft ook geen hulp gezocht van de Gambiaanse autoriteiten vanwege de gestelde problemen, terwijl het volgens de landeninformatie wel mogelijk is om aangifte te doen van criminele activiteiten. De minister vindt dus niet dat de gestelde problemen met de sjiieten kunnen leiden tot een verblijfsvergunning asiel. De minister vindt ook niet dat eiser bij terugkeer naar Gambia een reëel risico op ernstige schade loopt. Dat eiser afkomstig is uit Gambia is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij persoonlijk risico loopt. Tot slot vindt de minister artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen belemmering voor de weigering van de asielaanvraag van eiser. De minister vindt niet dat er sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en de familie [naam] (hierna: de familie [naam] ). De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen. Eiser heeft uitstel van vertrek gekregen vanwege medische gronden op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit uitstel is op 12 juni 2026 met terugwerkende kracht verlengd tot 18 september 2026.
Zorgvuldig horen
7. Eiser voert aan dat hij in zijn belangen is geschaad omdat de tolk hem in het nader gehoor niet goed heeft kunnen verstaan. De tolk heeft op pagina 4 van het nader gehoor aangegeven dat hij eiser niet goed kan verstaan vanwege het accent van eiser. In het bestreden besluit wordt op dit punt niet gereageerd, wat onzorgvuldig is. Daarnaast heeft de gehoormedewerker onvoldoende rekening gehouden met de mentale gezondheid van eiser.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet onzorgvuldig gehandeld en de hoorplicht niet geschonden. De minister heeft een advies van MediFirst aangevraagd voorafgaand aan het nader gehoor. Uit dit advies blijkt dat eiser aangegeven heeft dat hij angst- en vermoeidheidsklachten ervaart en dat daarmee rekening moet worden gehouden. De minister heeft eiser vervolgens gehoord met de waarborgen voor een gehoor bij een minderjarige, door medewerkers die ervaring hebben met het horen van minderjarigen. De medewerkers hebben bij de start van het gehoor het advies van MediFirst met eiser besproken en rekening gehouden met dit advies door regelmatig pauzes te houden en te informeren of eiser klachten of spanningen ervaart in het gehoor. Verder is het gehoor naar de wens van eiser uitgevoerd in de Engelse taal. Dat de tolk een keer aan het begin van het gehoor aan eiser heeft gevraagd om wat harder te praten omdat hij eiser niet goed kon verstaan, maakt niet dat het gehoor of het bestreden besluit onzorgvuldig is geweest. Uit het verdere verslag van het nader gehoor en de correcties en aanvullingen van eiser daarop blijkt ook niet van structurele vertaalproblemen. De tolk heeft verder geen problemen benoemd in het gehoor en ook eiser heeft desgevraagd meermalen aangeven dat hij de tolk goed heeft begrepen en verstaan. Eiser heeft, ook op de zitting, nagelaten concreet aan te geven op welk vlak zijn verhaal niet goed zou zijn overgekomen en welke invloed dat zou hebben gehad op de beoordeling van zijn asielrelaas. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling asielrelaas
9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn verklaringen ongeloofwaardig heeft gevonden. De minister werpt ten onrechte tegen dat het tegenstrijdig is dat eiser details weet van het eerste bezoek van de sjiieten bij zijn oom terwijl eiser meer basale details niet weet. De oom van eiser heeft hem van het bezoek op de hoogte gesteld en omdat dit zo’n traumatische, ongebruikelijke gebeurtenis was voor eiser zijn bepaalde details hem, ondanks het tijdsverloop, bijgebleven. Daarnaast heeft eiser in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor aangegeven hoe oud hij ongeveer was in 2020. De minister stelt verder ten onrechte dat de verklaringen van eiser niet overeenkomen met de algemene landeninformatie. Het feit dat de landeninformatie geen gegevens bevat over sjiitische groeperingen die minderjarigen rekruteren, betekent niet dat dergelijke groeperingen niet bestaan. De minister werpt ook ten onrechte tegen dat eiser ongeveer twee jaar is gebleven na de eerste problemen. Eiser had niet eerder de mogelijkheden om te vertrekken en daarom is hij naar school en werk blijven gaan.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht de verklaringen van eiser onsamenhangend en onaannemelijk en het asielrelaas daarom ongeloofwaardig gevonden. De minister mag onaannemelijk en tegenstrijdig achten dat eiser zich zou kunnen herinneren dat zes mannen langskwamen namens de sjiitische groepering bij het eerste bezoek aan zijn oom, terwijl eiser niet aanwezig was bij het bezoek en pas een jaar later door zijn oom op de hoogte is gesteld van het bezoek en hij andere details uit de betrokken periode niet kan noemen. De verklaring die eiser voor deze tegenstrijdigheid geeft, volgt de rechtbank niet. Verder heeft de minister grote betekenis mogen toekennen aan het feit dat eiser pas twee jaar na het gestelde tweede bezoek van de sjiitische groepering is vertrokken uit Gambia. Het is tegenstrijdig met de gestelde vrees voor zijn leven dat eiser in die twee jaar probleemloos naar zijn school en werk kon blijven gaan. De leeftijd van eiser en het gebrek aan mogelijkheden om te vertrekken veranderen niet het feit dat eiser geen problemen heeft gehad tijdens die twee jaar. Daarnaast heeft de minister mogen betrekken dat uit de algemene landeninformatie over Gambia nergens blijkt van sjiitische groeperingen die (bepaalde) minderjarigen zouden zoeken en rekruteren en dat er ook geen krantenberichten of andere journalistieke verslagen hierover zijn te vinden. Dat het volgens eiser gaat om een kleine groepering, maakt dit niet anders. De minister heeft op de zitting toegelicht hoe en door wie het onderzoek naar de landeninformatie en berichtgeving in de media is uitgevoerd. De enkele stelling van eiser op de zitting dat er wel degelijk bronnen bestaan die zijn asielrelaas zouden ondersteunen, is daartegenover onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Schending van artikel 3 van het EVRM
11. Eiser voert aan dat uitzetting een schending van artikel 3 van het EVRM zal opleveren omdat zijn gezondheid daardoor zal verslechteren. Eiser heeft psychische en fysieke klachten door hetgeen hem in Gambia en gedurende zijn vlucht is overkomen en is daardoor kwetsbaar. Specialistische hulp voor zijn problemen is in Gambia niet beschikbaar en eiser heeft in Gambia ook niemand om op terug te vallen. Op de zitting heeft eiser ook aangevoerd dat hij niet verder kan met zijn onderwijs als hij wordt uitgezet naar Gambia.
12. Artikel 3 van het EVRM houdt in dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat, om binnen de reikwijdte van de bescherming van artikel 3 van het EVRM te vallen, de gevreesde behandeling een "minimum level of severity" moet bereiken. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, zoals de duur van de behandeling, de fysieke en mentale gevolgen ervan, en in sommige gevallen het geslacht, de leeftijd en de gezondheid van de betrokkene. Verder volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een land waar zijn economische positie slechter zal zijn dan in het land waar hij thans verblijft, niet voldoende is om te oordelen dat artikel 3 van het EVRM in dat geval zal worden geschonden.
13. De rechtbank overweegt dat artikel 64 van de Vw de mogelijkheid biedt om een vreemdeling uitstel van vertrek te geven als uitzetting vanwege de medische situatie van de vreemdeling in strijd is met artikel 3 van het EVRM. De minister heeft eiser op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek verleend om de medische situatie van eiser nader te onderzoeken. Eiser heeft daar een afzonderlijke procedure over lopen. In deze procedure treffen de argumenten van eiser over zijn medische situatie en de risico’s bij terugkeer naar Gambia dan ook geen doel. Eiser heeft immers al uitstel van vertrek.
14. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister het standpunt innemen dat eiser verder geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank wijst hierbij allereerst op het oordeel hierboven dat de minister het individuele asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Uit wat eiser verder heeft aangevoerd blijkt niet dat er sprake is van gerechtvaardigde vrees van eiser voor een behandeling met een ‘minimum level of severity’. Dat eiser uit Gambia komt heeft de minister daarvoor terecht onvoldoende geacht. Dat bij eiser sprake is van een bijzondere kwetsbaarheid is niet onderbouwd. Ook is het onvoldoende dat eiser, naar hij stelt, in Gambia de opleiding die hij in Nederland volgt niet zou kunnen voortzetten. De rechtbank volgt overigens niet de stelling van eiser dat hij in Gambia niemand heeft. Het is niet gebleken dat de tante van eiser en haar gezin, bij wie hij van 2018 tot zijn vertrek in 2021 heeft verbleven, niet langer in Gambia verblijven. Op de zitting heeft eiser ook aangegeven dat hij nog contact heeft met zijn tante in Gambia en haar oudste zoon.
Schending van artikel 8 van het EVRM
15. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen eiser en de familie [naam] . Eiser is in 2024/2025 bij de familie gekomen en sinds december 2025 zijn de banden tussen eiser en de familie geïntensiveerd. Tegenwoordig is sprake van hechte banden tussen eiser en de familie. Eiser heeft hechte banden opgebouwd met de familie door de ondersteuning van de familie bij zijn scholing, traumaverwerking en de algemene uitdagingen van het leven. Ook verblijft eiser op basis van de grijze bedden regeling van het COA bij de familie. Eiser kan door de regeling praktisch bij de familie wonen en hoeft zich nog maar één keer per maand te melden bij het AZC. Eiser heeft geen familieleden meer in Gambia. De familie [naam] komt daarom het dichtst bij familie voor eiser.
16. De rechtbank overweegt het volgende. Volgens de overgelegde verklaringen van de familie [naam] kenden eiser en de familie elkaar in augustus 2025 een klein jaar. Eiser was dus (bijna) meerderjarig toen zij elkaar in Nederland leerden kenden en was al ruim een jaar meerderjarig toen het contact in 2025 intensiveerde. Eiser is meerderjarig en staat niet in een familierechtelijke relatie tot de familie [naam] . Eiser is ook geen (minderjarig) adoptiekind of pleegkind van de familie en er lopen ook geen procedures op dit vlak. In die zin is geen sprake van gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.
17. Op grond van artikel 8 van het EVRM kan onder bepaalde omstandigheden gezins- of familieleven tussen meerderjarige familieleden worden aangenomen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Voor zover eiser stelt dat, ondanks dat zij (formeel) geen familie zijn, tussen eiser en de familie [naam] sprake is van dergelijke bijkomende elementen van afhankelijkheid, heeft de minister zich voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat die niet zijn aangetoond.
18. Bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen elementen zoals samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst relevant zijn. Het is aan de vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan de minister om te beoordelen of daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard.
19. De minister heeft mogen stellen dat de omstandigheid dat de familie [naam] eiser begeleidt en steunt in zijn dagelijks leven niet maakt dat sprake is van bijkomende elementen in vorenbedoelde zin. Daarmee is nog geen sprake van hechte persoonlijke banden die gebruikelijke banden overstijgen. Hetzelfde geldt voor de (tijdelijke) huisvesting van eiser op grond van de grijze beddenregeling. Niet is onderbouwd dat eiser voor de Basisregistratie Personen staat ingeschreven op het adres van de familie [naam] . Financiële banden zijn niet gesteld of gebleken. De minister heeft ook mogen betrekken dat de banden voorzover die er zijn, zijn aangegaan in een periode waarin het verblijf van eiser onzeker is. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
20. De minister heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 18 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.