[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).
Inleiding
1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 29 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 september 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, referente en de gemachtigde van de minister.
4. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1982 en heeft de Turkse nationaliteit. De referente is de echtgenote van eiser en heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft een mvv aangevraagd voor verblijf als familie- of gezinslid van referente.
6. De minister heeft de aanvraag voor een mvv afgewezen omdat eiser niet voldoet aan het inkomensvereiste. Eiser heeft volgens de minister ook geen recht op vrijstelling van het mvv-vereiste op basis van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De belangen van de Nederlandse Staat wegen namelijk zwaarder dan de belangen van eiser en referente volgens de minister.
7. Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan het inkomensvereiste. Ook is niet in geschil dat er sprake is van familie-of gezinsleven tussen eiser en referente. In geschil is of eiser vrijgesteld had moeten worden van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Daarnaast is in geschil of de minister de hoorplicht heeft geschonden omdat eiser en/of referente niet zijn gehoord in de bezwaarfase.
Belangenafweging
8. Eiser voert aan dat de minister bij artikel 8 van het EVRM geen fair balance heeft gevonden tussen de belangen van de Nederlandse Staat enerzijds en van eiser anderzijds. De minister heeft onvoldoende meegewogen dat referente niet naar Turkije kan om het gezinsleven daar uit te oefenen. Referente kan namelijk geen werk vinden in Turkije. Ook heeft referente ernstige psychische klachten waardoor ze medisch gebonden is aan Nederland. De minister heeft verder het economisch belang van Nederland te zwaar in het nadeel van eiser meegewogen. De minister werpt ten onrechte tegen dat referente binnenkort wel aan een eigen inkomen kan komen. Daarnaast is referente zuinig en kan zij ronkomen van haar bijstandsuitkering. Referente en eiser zullen als eiser zich bij referente voegt rond kunnen komen van de bijstandsuitkering. Het is verder te verwachten dat eiser werk kan vinden in Nederland. Door deze redenen zal de komst van eiser naar Nederland niet zorgen voor een negatief effect op het economisch belang van Nederland.
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en dat, enigszins terughoudend toetsend, de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft mogen laten uitvallen. De minister heeft in de belangenafweging mogen betrekken dat er geen objectieve belemmering is om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Referente heeft weliswaar gesteld door medische problematiek gebonden te zijn aan Nederland, maar zij heeft niet onderbouwd dat een medische behandeling slechts in Nederland kan plaatsvinden. De minister heeft ook in de belangenafweging mogen betrekken dat het een eerste toelating van eiser betreft en hier in het nadeel van eiser zwaar gewicht aan mogen toekennen. Verder heeft de minister bij de belangenafweging in het nadeel van eiser mogen betrekken dat eiser en referente het gezinsleven zijn gestart terwijl eiser niet in het bezit was van een verblijfsvergunning. Daarnaast heeft de minister de bescherming van het economisch belang van Nederland aan eiser mogen tegenwerpen. In dat kader is van belang dat niet wordt voldaan aan het inkomensvereiste, nu de referente niet beschikt over een inkomen dat zelfstandig is. Dat referente goed kan rondkomen van haar bijstandsuitkering maakt dit niet anders. Dit betekent dus niet dat de minister de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten laten uitvallen. Datzelfde geldt voor de stelling van eiser dat hij bij toetreding op de Nederlandse arbeidsmarkt zelfstandig over bestaansmiddelen kan beschikken. Eiser heeft ook nog aangevoerd dat referente in Turkije niet kan werken, maar dat is verder niet onderbouwd. Daarom is niet gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Turkije uit te oefenen. Bovendien strekt artikel 8 van het EVRM niet zover dat het een vrije domiciliekeuze inhoudt waarbij de meest ideale en wenselijke situatie moet worden gegarandeerd.
Hoorplicht
10. Eiser voert aan dat de minister de hoorplicht heeft geschonden omdat eiser en/of referent niet zijn gehoord in de bezwaarfase. De minister had eiser en/of referent moeten horen om de belangen van eiser en referent beter in kaart te kunnen brengen. Dit is extra van belang omdat de minister een belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM moet maken.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister mogen afzien van horen in bezwaar. In bezwaar heeft eiser geen concreet belang aangevoerd voor een hoorzitting. Daarnaast roepen de in bezwaar overgelegde stukken geen enkele twijfel op over de rechtmatigheid van het primaire besluit. Dat de minister in het bestreden besluit een nieuwe afwijzingsgrond heeft tegengeworpen door in te gaan op het arrest Chakroun volgt de rechtbank ook niet. Eiser zelf heeft in bezwaar verwezen naar Chakroun en daarop heeft de minister in het bestreden besluit gereageerd. Van een nieuwe afwijzingsgrond is dus geen sprake. In het geval van een belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM kan extra belang toekomen aan horen in bezwaar, maar eiser heeft in bezwaar niets aangevoerd over de belangenafweging. Ook in zoverre bestond er voor de minister dus geen aanleiding eiser en/of de referent te horen. De minister heeft het bezwaar daarom kennelijk ongegrond mogen verklaren.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 7 augustus 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen